Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Dementie in de praktijk

Avatar
Redactie NHG/BSL

In de rubriek Praktisch belichten we een klein aspect van het werk van de praktijkondersteuner. We herschrijven daarvoor bijvoorbeeld delen uit een Praktijkwijzer van het NHG, hier uit de PraktijkWijzer GGZ.

Het is niet ondenkbaar dat de praktijkondersteuner in de toekomst meer gaat doen op het terrein van de GGZ, bijvoorbeeld bij de diagnostiek van dementie en begeleiding van de patiënt en diens naasten. Volgens de NHG-Standaard Dementie heeft de huisarts een signalerende, diagnostische, voorlichtende en begeleidende taak. Op al deze terreinen kan de praktijkondersteuner actief zijn. De praktijkondersteuner is van onschatbare waarde bij begeleiding en ondersteuning van het thuissysteem. Verhoogde aandacht voor problemen zorgt voor betere draagkracht van naasten/verzorgenden en voor tijdige signalering bij overschrijding van grenzen.

Prevalentie

De prevalentie van dementie in de algemene bevolking schat men op 63 per 1000 mensen ouder dan 65 jaar, oplopend tot 181 per 1000 boven de 75 jaar. Dat betekent dat er per huisartsenpraktijk gemiddeld 16 thuiswonende patiënten zijn met dementie. Per huisartsenpraktijk ligt het aantal nieuwe gevallen rond de 3 per 1000 per jaar. Het hoofdstuk over dementie in de NHG-Praktijkhandleiding GGZ biedt praktische handvatten bij signalering en diagnostiek.

Diagnose

Dementie is meer dan alleen een beetje vergeetachtig zijn. Geheugenklachten en verminderd cognitief functioneren zijn bij ouderen niet ongewoon. De patiënt moet ook nog beperkt zijn in zijn dagelijks functioneren om de diagnose dementie te krijgen. Kortom, voor de diagnose dementie moeten de volgende vier criteria aanwezig zijn:

  • geheugenstoornis (inprentings- of reproductiestoornissen);
  • één of meer van de volgende cognitieve stoornissen: afasie, apraxie, agnosie of een stoornis in de uitvoerende functies;
  • beperkingen in het dagelijks functioneren als onmiddellijk gevolg van de cognitieve stoornissen;
  • de stoornissen treden niet uitsluitend op tijdens een delier. Een delier ontstaat acuut en heeft een in ernst wisselend neuropsychiatrisch toestandsbeeld en een somatische oorzaak.

Verklaring van termen

Afasie: verminderd taalbegrip en problemen met taalexpressie
Agnosie: verminderd vermogen om objecten te herkennen ondanks intacte zintuiglijke functies
Apraxie: verminderd vermogen om handelingen uit te voeren, ondanks intacte motorische functies
Cognitief: heeft betrekking op het kennen (waarnemen, onthouden, voorstellen, denken, redeneren, begrijpen, oordelen)
Uitvoerende functies: het vermogen plannen te maken, te organiseren, logische conclusies te trekken en te abstraheren

Tests

Voor het vaststellen van een mogelijke dementie beschik je als praktijkondersteuner over een aantal tests (zie tabel).

Spreekuurvragen, kloktekentest en MMSE

Met een beperkt aantal vragen of de kloktekentest kun je tijdens het spreekuur al een idee krijgen of er misschien iets aan de hand is.
Een eerste indruk over het geheugen krijg je door te vragen naar wat men gisteren deed en naar nieuwsitems en gebeurtenissen uit het verdere verleden. Annet Wind vond in haar promotieonderzoek bijna tien jaar geleden al dat de vragen ‘Welke datum is het vandaag? Welke dag van de week is het? Wie is de huidige minister-president? Waar woont u nu?’ redelijk gevoelig waren om cognitieve problemen op te sporen.
Je let voor de opsporing van andere cognitieve stoornissen op afasie, apraxie, agnosie en stoornissen in de uitvoerende functies (aan- en uitkleden) en je informeert naar beperkingen in het dagelijks functioneren zoals eigen boodschappen doen, koken en persoonlijke verzorging, waaronder ook medicijngebruik.
De kloktekentest is simpel: je vraagt de patiënt een klok te tekenen, alle cijfers erin te zetten en de wijzers op tien over elf te tekenen. De patiënt kan drie punten verdienen: één voor het begrijpen van de opdracht, één voor het uitvoeren (niet spieken) en één voor de juiste uitvoering.
Beide snelle tests kunnen ten onrechte negatief zijn als je ze gebruikt voor het opsporen van dementie. Vooral bij patiënten met een beginnende dementie en een hoger opleidingsniveau is dat risico hoger.
Het afnemen van de Mini-mental state examination (MMSE) kost meer tijd, maar deze test geeft meer zekerheid of er al dan niet sprake is van een cognitieve stoornis. Het afnemen van de MMSE is apart te declareren.

OLD

Met de Observatielijst voor vroege symptomen voor dementie (OLD) scoor je symptomen die kunnen wijzen op dementie. Het is dus eigenlijk geen test die je samen met de patiënt doet. Je kunt de lijst bijvoorbeeld gebruiken na afloop van een gewoon consult om te beoordelen of er signalen waren van een cognitieve stoornis. De twaalf items kun je betrekkelijk makkelijk scoren, ook als je bij vermoeden van dementie geen uitgebreide vragen over het geheugen wilt stellen. De OLD is als bijlage opgenomen bij de NHG-Standaard.

IADL

De Vragenlijst activiteiten in het dagelijks leven (IADL) kun je gebruiken om de beperkingen in het dagelijks functioneren te objectiveren. Deze test is ook geschikt om het verloop in de tijd te volgen. Ook naasten kunnen deze lijst invullen.
[[tbl:300]]

Begeleiding van het zorgsysteem

De Barthel-index staat niet in de tabel omdat het geen test is om dementie te signaleren of vast te stellen (http://www.praktijkondersteuners.nl/downloads/Barthel-index.doc). Met behulp van deze test kun je activiteiten in het dagelijks leven meten en de mate van hulpbehoevendheid bepalen. Het gaat daarbij niet zozeer om de absolute score, maar om in te schatten hoezeer het functioneren achteruitgaat in de loop van de tijd. Als zodanig geeft de test niet zozeer informatie over de patiënt, maar veel meer over de belasting van de verzorgenden/naasten.

Rol van de praktijkondersteuner

In het algemeen is de inzet van de praktijkondersteuner ook waardevol als de diagnose dementie is gesteld. Na de diagnose kan de praktijkondersteuner meewerken om een optimaal zorgklimaat te creëren. Daarbinnen kan je de volgende taken onderscheiden:

  • beoordeling van de progressie van het ziektebeeld;
  • bepaling van de mate van zorg- en verplegingsbehoefte van de patiënt;
  • bepaling van de mate waarin de partner en anders mantelzorgers worden belast;
  • bepaling van de behoefte aan ondersteuning bij de zorgtaken en
  • geven van voorlichting.

De praktijkondersteuner kan ook degene zijn die de samenwerking bewaakt tussen alle hulpverleners en daarbij de begeleiding van de patiënt coördineert. Het kan voor POH’ers een heel zinvolle en ook dankbare taak zijn om te werken voor demente bejaarden. De kwaliteit van de huisartsenzorg verbetert duidelijk omdat de POH veel kan betekenen voor de patiënt en het zorgmilieu van de patiënt. De taken zijn concreet, goed omschreven en goed te documenteren, en zijn dus heel goed in een verbeterplan uit te voeren.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2006, nummer 2

Literatuurverwijzingen: