Cardiovasculaire sterfte neemt snel af na stoppen met roken

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

De relatie tussen stoppen met roken en preventie van hart- en vaatziekten is voor de huisartsenpraktijk en zeker voor de praktijkondersteuner relevant. Praktijkondersteuners begeleiden regelmatig patiënten bij het stoppen met roken, omdat zowel bij astma en COPD als bij diabetes mellitus roken een belangrijke risicofactor is. Maar de gevolgen van roken zijn voor een nog veel grotere groep letterlijk dodelijk.1

  • Van de mensen die jaarlijks aan longkanker overlijden (9.300 doden in 2004) sterven er 8.000 door roken.
  • Er overlijden aan astma en COPD 5.600 mensen, waarvan 4.500 door roken.
  • Maar ook 28% van de bijna 8.000 mannen die aan hart- en vaatziekten overlijden en 1 op de 5 doden door CVA zijn het gevolg van roken.

Deze cijfers over 2004 komen uit de nieuwe NHG-Standaard Stoppen met roken.
1 Het is belangrijk deze enorme aantallen goed te onthouden, omdat al deze sterfte te voorkomen is door met roken te stoppen. Stoppen met roken zou jaarlijks het sterftecijfer met 40% (= 20.000 mensen) reduceren, dat is maar liefst 3 doden minder per huisarts per jaar.
Stoppen met roken begint in de huisartsenpraktijk door de eenvoudige vraag: ‘Rookt u?’ Hoe het traject daarna verloopt en of de patiënt overweegt om te stoppen met roken, hangt nauw samen met uw aanpak en overredingskracht. U kunt putten uit uw eigen ervaringen met roken, maar u zult het vooral moeten hebben van uw kennis over de gevolgen van roken en over het effect dat u verwacht van de interventie. Door de cijfers uit dit artikel kunt u de patiënt overtuigen van het grote effect van stoppen met roken.

Risicofactoren

Het percentage ouderen (65+) dat rookt is 14%. Dat is veel minder dan de 30-35% bij 25- tot 54-jarigen. Dit komt doordat een deel van de rokers op latere leeftijd stopt, maar ook doordat in de oudere leeftijdsgroep veel rokers al zijn overleden. Want verreweg het grootste deel van de mensen die voor hun pensioen overlijden, zijn rokers. Deze groep overlijdt vooral aan longkanker en aan hart- en vaatziekten.
Roken blijkt verreweg de belangrijkste risicofactor voor het krijgen van hart- en vaatziekten. Al is dat niet zo snel af te leiden uit de literatuur, want andere medicamenteus te beïnvloeden factoren krijgen veel meer aandacht en worden veel eerder als indicator voor goede zorg gebruikt: hypertensie, HbA1c en lipiden. Bij zorgvuldige bestudering en berekening van de SCORE-risicofunctiekaart voor patiënten zonder hart- en vaatziekten en diabetes mellitus type 22 komt naar voren dat:

  • een vrouw (65 jaar) zonder hypertensie en dislipidemie een kans op sterfte heeft van 3%, die door roken stijgt naar 5%;
  • een vrouw (65 jaar) met systolische tensie van 160 en dislipidemie een sterfterisico heeft van 10%, dat door roken bijna verdubbelt tot 19%;
  • bij een man (65 jaar) zonder hypertensie en dislipidemie het sterfterisico door roken van 5 naar 9% stijgt;
  • bij een man (65 jaar) met systolische tensie van 160 en dislipidemie door roken het risico op overlijden van 16 naar 19% stijgt.

Voor jongere mensen is het uitgangsrisico weliswaar lager, maar ook dan verdubbelt het sterfterisico. Bijvoorbeeld: bij een 50-jarige man met een tensie van 160 en dislipidemie stijgt het sterfterisico van 3 naar 6%. Concluderend is het roken verantwoordelijk voor 40 tot 50% van het totale risico om aan hart- en vaatziekten te overlijden.

Spectaculaire daling

In 6 landen zijn in totaal 12 onderzoeken gedaan bij 5.878 patiënten met een hartinfarct. Bij het naast elkaar leggen van deze onderzoeken bleek bij een vervolgonderzoek dat het aantal sterfgevallen bij degenen die stopten met de helft was gedaald vergeleken met de mensen die bleven doorroken.3 Mensen motiveren om te stoppen met roken is dus een uitstekende maatregel om sterfte te voorkomen. Uiteraard wordt daarmee ook de kans op overlijden aan longkanker verminderd en zal de longfunctie bij COPD minder snel afnemen. Bovendien geeft stoppen met roken binnen enige jaren al een aanzienlijke daling van het aantal hartinfarcten en beroerten.
In een Amerikaanse studie werd berekend hoe snel na stoppen met roken het percentage daalde van mensen dat in het ziekenhuis werd opgenomen met hartinfarcten en beroertes.4 In tegenstelling tot de langzame afname van het risico op longkanker en COPD na het stoppen, bleek het aantal opnamen wegens hart- en vaatziekten binnen 2 jaar na het stoppen met 50% te zijn gedaald. Deze uitkomst betekent dus dat een ‘gezonde’ volwassen roker, als hij nu stopt met roken, zijn verhoogde kans op een infarct al binnen 2 jaar tot de helft verkleint. Ook bleek dat in gebieden waar roken in openbare gelegenheden werd verboden, het aantal mensen dat opgenomen werd met een hartinfarct, fors te dalen. Na het rookverbod in Helena (Montana) was de daling binnen 6 maanden 40%5 en in Pueblo (Colorado) was dat percentage 27.6 Dit effect zou worden veroorzaakt door daling van het aantal gerookte sigaretten door rokers en doordat niet-rokers minder aan rook werden blootgesteld.

Van sigaret naar hartinfarct

De wijze waarop het roken van sigaretten hart- en vaatziekten veroorzaakt (de pathofysiologie) is tweeledig:

  • een snelle reactie van het lichaam op nicotine;
  • een langzaam werkende beïnvloeding die zich in de loop van vele jaren uit in arteriosclerose.

Nicotine veroorzaakt vrij snel een stijging van de bloeddruk, een versnelde hartslag en samentrekken van de bloedvaten met een verminderde circulatie in coronaire en perifere vaten in de benen. Ook heeft roken een snelle invloed op sommige stollingsfactoren, waardoor zich sneller trombose kan ontwikkelen. Binnen 2 maanden na het stoppen met roken is het tromboserisico echter alweer normaal.7 Stoppen met roken heeft dus een direct gunstig effect met snel optredende veranderingen en dat verklaart de eerder beschreven forse daling van het risico, soms zelfs al binnen een jaar. Het effect op de arteriosclerose, die vooral op oudere leeftijd optreedt, is minder groot. Daarom is het effect bij een 45-jarige roker sterker dan bij een 70-jarige man die altijd heeft gerookt. Dat wil niet zeggen dat u het advies om te stoppen met roken bij een 70-jarige moet nalaten. Ook dan is er een daling van het aantal verwachte hartinfarcten, maar het is minder sterk.
Stoppen met roken laat zowel op individueel niveau als in de openbare ruimte een snelle daling zien van het aantal hart- en vaatziekten en van het voortijdig overlijden daaraan. Dit geldt nog sterker bij de populatie die u als praktijkondersteuner dagelijks begeleidt (met diabetes en astma of COPD), omdat bij die groep het risico op morbiditeit en mortaliteit nog veel hoger is en dus het effect van stoppen veel groter. Informatie in een artikel als dit is bedoeld als extra stimulans voor praktijkondersteuners om met nog meer energie het stoppen met roken te begeleiden. Hopelijk motiveert het ook rokers om hun sigaretje nu definitief in de prullenbak te gooien.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2008, nummer 2

Literatuurverwijzingen:

Literatuur

1Chavannes NH, Frijling BD, Van der Laan JR, Jansen PWM, Guerrouj S, et al. NHG-Standaard Stoppen met roken. www.nhg.org.
2NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement. www.nhg.org
3Wilson K, Gibson N, Willian A, Cook D. Effect of smoking cessation on mortality after myocardial infarction: meta-analysis of cohort studies. Arch Intern Med 2000;160:939-44.
4Lightwood JM, Glantz SA. Short-term economic and health benefits of smoking cessation: myocardial infarction and stroke. Circulation 1997;96:1089-96.
5Sargent RP, Shepard RM, Glantz SA. Reduced incidence of admissions for myocardial infarction associated with public smoking ban: before and after study. BMJ 2004;328:977-80.
6Bartecchi C, Alsever RN, Nevin-Woods C, Thomas WM, Estacio RO, Bucher Bartelson B, et al. Reduction in the incidence of acute myocardial infarction associated with a citywide smoking ordinance. Circulation 2006;114:1490-6.
7Tonstad S. Analyzing the benefits and the risks of tobacco cessation treatments. J Clin Psychiatry Monograph 2003;18:41-9.