Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

‘Van die rode met een gleufje’

Avatar
Redactie NHG/BSL

‘Van die rode met een gleufje en ook nog kleine witjes en oh ja, ook nog van die hartjes’. Zoiets horen we vaak als we vragen naar medicatiegebruik. Daar kan je natuurlijk geen wijs uit en daarom moeten we zelf zorgen voor een goed medicatiedossier.
Over het gebruik van medicatie valt veel te zeggen, maar als we eerlijk zijn weten we niet zoveel over het gebruik van veel verschillende medicijnen tegelijkertijd (polyfarmacie). Wel horen we tegenwoordig steeds meer over de gevaren die het met zich meebrengt. In 2003 vonden 36.000 ziekenhuisopnames plaats in verband met bijwerkingen door verkeerd gebruik van medicijnen. En die kans neemt natuurlijk toe naarmate iemand meer medicijnen gebruikt.
In deze aflevering van het TPO veel aandacht voor een vaak voorkomend duo: hart- en vaatziekten (HVZ) en polyfarmacie. Dat die twee bij elkaar horen is logisch: een beetje HVZ-patiënt gebruikt al gauw vier verschillende medicijnen; komt daar nog diabetes bij of COPD dan voldoen we in ieder geval aan het criterium van polyfarmacie (het gebruik van meer dan vijf verschillende medicijnen).
Laten we eens beginnen met de postinfarctpatiënt. In ieder geval een bètablokker, salicylzuur, een statine en meestal ook nog wel een ACE-remmer. En dat is nog maar de beginnerscocktail. Bij bijkomende hypertensie, angineuze klachten of hartfalen wordt de behandeling al gauw intensiever. We kennen allemaal de patiënten die dan ‘aan het rommelen slaan’. Het advies van Van der Laan en Weenink (pagina 46) klinkt dan enigszins paradoxaal. In eerste instantie bezien of de patiënt wel krijgt wat nodig is volgens de richtlijnen. Toch is dat minder onlogisch dan het lijkt. We hebben immers te maken met medicijnen zonder direct effect, maar met een aangetoond nut. Voorkomen van een (recidief) infarct of CVA is het doel en dat is de moeite waard. Probleem is dat de patiënt er niets van merkt en mogelijk alleen last heeft van bijwerkingen. Daarom is de therapietrouw waarschijnlijk zo laag bij middelen tegen een hoog cholesterol of hoge bloeddruk. En dan gaat het vaak niet eens zozeer om bijwerkingen alswel om gebrekkige informatie. Leg mensen uit waarom ze al die pillen moeten slikken. Leg uit wat de baat is die ze ervan hebben. Veel patiënten hebben minder problemen met het slikken van allerlei nauwelijks of niet werkzame middelen (waarin men sterk gelooft of waarvan men direct effect heeft) dan met het slikken van de geïndiceerde medicatie. Een goede voorlichting is dan waarschijnlijk een eerste, noodzakelijke stap.
Zoals de lezers inmiddels weten heeft iedere patiënt met een manifestatie van HVZ in principe een systemische aandoening: atherosclerose. Of het nu gaat om een TIA, een hartinfarct of om perifeer vaatlijden. Daarom is de opsporing van perifeer vaatlijden belangrijk. Bij typische klachten is dat niet zo moeilijk, maar slechts een klein deel van de patiënten komt daarmee naar de huisarts. Zoals Wubbels en Stoffers (pagina 36) betogen is de bepaling van de enkel-armindex een eenvoudige methode om de patiënten met weinig of geen klachten, maar wel met een verminderde circulatie, op te sporen. Dat opsporen is belangrijk aangezien deze mensen een slechte prognose (dezelfde als de patiënten met een infarct) hebben en behandeling hun prognose aanzienlijk kan verbeteren. Behandeling begint ook hier weer met stoppen met roken. Reenders (pagina …) voert daarvoor weer eens de argumenten aan. Met dit artikel in de hand kunt u de patiënt misschien motiveren door te wijzen op het snelle gunstige effect van stoppen.
Natuurlijk ook weer de gebruikelijke aandacht voor de luchtwegen en bovendien een mooi interview over de rol die een praktijkondersteuner kan spelen bij de preventie en behandeling van obesitas bij kinderen. U kunt weer voort.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2008, nummer 2

Literatuurverwijzingen: