Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Vragen

Avatar
Redactie NHG/BSL

Hou je kennis up to date met de toetsvragen van huisarts Janine Freeke. Ze zijn geformuleerd als stellingen (juist/onjuist). Heb je een vraag naar aanleiding van de kennistoets ? Mail deze naar tpo@nhg.org.

Van de 59-jarige mevrouw Joosten is sinds een jaar bekend dat zij diabetes mellitus type 2 heeft. Zij gebruikt hiervoor metformine 3 maal daags 500 mg. Tijdens de controle blijkt dat haar diabetes nog steeds niet goed gereguleerd is. Mevrouw Joosten heeft fors overgewicht (gewicht 90 kg, lengte 160 cm, BMI 35,5), haar bloeddruk bedraagt bij herhaling 155/95 mm Hg. Er is sprake van microalbuminurie, het HbA1c is 9,0% en de nuchtere glucose is 9,2 mmol/l. Cholesterol-, LDL- en triglyceridenparameters zijn normaal. De creatinineklaring is > 90 ml/min, het kaliumgehalte bedraagt 3,7 mmol/l. De praktijkondersteuner besluit in overleg met de huisarts de metformine stapsgewijs te verhogen naar 3 maal daags 1000 mg. Tevens krijgt mevrouw Joosten een antihypertensivum in verband met haar hypertensie.

1

. De huisarts adviseert enalapril als middel van eerste keus.

2

. De praktijkondersteuner zou losartan adviseren als middel van eerste keus.

Het doel van behandeling met een anti-hypertensivum bij diabetes mellitus type 2 is volgens de huisarts het verlagen van het risico op hart- en vaatziekten. De praktijkondersteuner meent dat hiernaast het risico op nierschade verlaagd wordt.

3

. De praktijkondersteuner heeft gelijk.

Naast de glucose- en bloeddrukmedicatie adviseren huisarts en praktijkondersteuner mevrouw Joosten te starten met cholesterolverlagende medicatie. De praktijkondersteuner legt mevrouw Joosten uit dat (1) behandeling met een statine waarschijnlijk meer effect heeft op het verminderen van risico’s op hart- en vaatziekten dan bloeddrukverlaging en dat (2) dit ook geldt bij diabetes type 2-patiënten zonder verhoogde cholesterolwaarden.

4

. Stelling 1 is juist.

5

. Stelling 2 is juist.

De praktijkondersteuner laat mevrouw Joosten na vier weken terugkomen voor de bloeddrukcontrole. Zij overweegt ook opnieuw bloedonderzoek te laten doen naar de nierfunctie.

6

. Bloeddrukcontrole na vier weken is een juiste termijn.

7

. Controle van de nierfunctie vier weken na de start van een behandeling met een RAS-remmer is een juiste termijn.

Na een aantal controles blijkt de bloeddruk van mevrouw Joosten niet te dalen met de gegeven dosering antihypertensivum. De praktijkondersteuner overlegt met de huisarts wat de volgende stap kan zijn. Deze adviseert maximale dosisverhoging vóór toevoeging van een tweede middel.

Het advies van de huisarts is correct.

Zie het afzonderlijke artikel voor de antwoorden.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2011, nummer 2

Literatuurverwijzingen: