Hoe ontwikkelt de praktijkondersteuner zich in de chronische zorg?

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

De zorg aan patiënten met een CVA wordt overal in het land geoptimaliseerd door de realisatie van de zogenaamde stroke services. Dit zijn regionale netwerken van zorgverleners die gezamenlijk een integrale, deskundige en samenhangende zorg en behandeling voor CVA-patiënten leveren. Welke rol spelen de huisarts en de praktijkondersteuner binnen deze zorg? Dat is (nog) niet zo duidelijk. Een digitale rondgang langs deze stroke services levert in elk geval een weinig expliciet beeld op als het gaat om de taakinvulling van de diverse zorgverleners.
Veel praktijkondersteuners zijn al actief binnen de CVA-zorg en ongetwijfeld zijn er praktijken waar deze zorg volgens de laatste inzichten is georganiseerd. Veel vaker echter beperkt de rol van de praktijkondersteuner zich nog tot preventieve zorg (binnen de kaders van diabetes mellitus 2 en cardiovasculair risicomanagement) en een bescheiden uitgewerkte rol in de chronische fase. In het artikel ‘Optimalisering van de de zorg aan CVA-patiënten in de huisartsenpraktijk’1stellen de auteurs: “Om tegemoet te komen aan de toenemende zorgvraag van CVA-patiënten, zijn verdergaande taakdelegatie en uitbreiding van het takenpakket van praktijkondersteuners noodzakelijk. Praktijkondersteuners krijgen dan meer zelfstandig de taak te zorgen voor de begeleiding van chronisch zieken.” Om tot deze optimalisering van praktijkvoering en zorgorganisatie te komen moet de praktijkondersteuning versterkt worden (uitbreiding fte) en moeten zorgverleners goed toegerust zijn (opleiding en ontwikkeling vaardigheden). De praktijkondersteuner kan vooral een rol spelen in de preventieve en de chronische fase en bij de ondersteuning van de mantelzorgers.

De huisarts, met praktijkondersteuner, is bij uitstek geschikt om een regierol te spelen in de zorg aan CVA-patiënten. Gezien het chronische karakter van de zorg en het veel voorkomen van co-morbiditeit bij CVA-patiënten, hoort deze zorg thuis in een integrale zorgbenadering gericht op samenwerking. Dit blijkt in de praktijk nog niet zo vanzelfsprekend en makkelijk realiseerbaar, iets wat mijns inziens niet uniek is voor de zorg aan CVA-patiënten.
We zagen de afgelopen jaren een toename van oudere patiënten met een chronische aandoening en dit zal de komende jaren naar verwachting alleen nog maar verder toenemen. Door verschuiving van tweedelijnszorg naar eerstelijnszorg zien we ook dat zorg in de huisartsenpraktijk complexer wordt. Veel spelers in het ‘zorgveld’ voelen de behoefte om de zorg aan chronisch zieken anders in te richten. In tal van projecten zit men aan tafel om zorgvernieuwing vorm te geven. Vaak praat de discipline praktijkondersteuning mee. En dat is goed. Echter, door het enorme tempo waarin zorg aan chronisch zieken zich nu ontwikkelt en de druk die daarmee op de huisartsenzorg komt te staan, blijft er weinig ruimte over om stil te staan bij de verdere ontwikkeling van de functie praktijkondersteuner.
Met name de verschuiving van de tweedelijnszorg naar de eerstelijnszorg, veelal vastgelegd in transmurale protocollen, heeft consequenties voor onze functie. Binnen onze aandachtsgebieden zal steeds meer behoefte zijn aan specialisatie, verdieping, meer kennis en meer vaardigheden. De specialisatie van de praktijkondersteuner komt nu het meest naar voren in de diabeteszorgverlening, maar zal naar verwachting ook ontstaan binnen andere aandachtsgebieden als astma/COPD en verschillende cardiovasculaire aandoeningen. We moeten ons echter realiseren dat we als generalist aan een grens komen van specialisatie binnen een aandachtsgebied. Maar waar ligt die grens en waardoor wordt deze bepaald? En wat zijn de consequenties van het stellen van een grens? Leidt dit tot meer disciplines in de praktijk? Willen wij ons takenpakket versmallen ten behoeve van verdere specialisatie of willen we ons breed blijven ontwikkelen naast een specialistisch verpleegkundige in de praktijk? Als wij ons meer gaan specialiseren, wat onderscheidt ons dan nog van de specialistisch verpleegkundige?
De behoefte aan een bepaalde mate van specialisatie zal grotendeels bepaald worden door de praktijkgrootte en -organisatie en door populatiekenmerken. Als we kiezen voor taakdifferentiatie omdat de grootte en organisatie van de praktijk dat toelaat, dan houdt dit in dat de functie van praktijkondersteuner steeds meer variaties gaat kennen. Vinden we dit überhaupt een probleem? Ligt verdere specialisatie de generalistisch ingestelde praktijkondersteuner wel? In hoeverre mogen onze persoonlijke ambities een rol spelen? En hoe gaan wij ons verder specialiseren? De opleidingen tot praktijkondersteuner voorzien in een stuk medisch-inhoudelijke basiskennis, veelal (nog) beperkt tot de reguliere aandachtsgebieden diabetes, astma/COPD en cardiovasculaire aandoeningen. Er is een ruim aanbod in na- en bijscholing maar accreditatie ontbreekt nog steeds, al staat dit wel hoog op de agenda.

Het is niet mijn intentie een antwoord te geven op al deze vragen en ik streef in mijn betoog ook zeker geen volledigheid na. Ik ben wel van mening dat vragen met betrekking tot de verdere ontwikkeling van onze functie, binnen het kader van de huidige veranderingen in zorgvraag, onze aandacht moeten krijgen. Op praktijkniveau in samenspraak met onze werkgevers, maar ook op het niveau van beroepsverenigingen en opleidingen. Dat valt niet mee in deze tijd waar van alles gebeurt en veel van ons gevraagd wordt, maar het kan ons helpen niet op een zijspoor terecht te komen waar het om de herinrichting van zorgverlening aan chronisch zieken gaat. Het helpt ons uiteindelijk een meer zichtbare rol te spelen, ook in de zorg aan CVA-patiënten.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2008, nummer 1

Literatuurverwijzingen:

1Van den Bos GAM, Visser-Meily JMA, Van Exel NJA. Optimalisering van de zorg aan CVA-patiënten in de huisartsenpraktijk. Huisarts Wet 2007;50:552-6.