Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Antwoorden

Avatar
Redactie NHG/BSL

1. Ja.

Reversibiliteit bij spirometrie ondersteunt de diagnose ‘astma’. Om de diagnose ‘astma’ te kunnen stellen bij patiënten met periodiek hoesten zonder dyspneu of expiratoir piepen is het noodzakelijk om reversibiliteit aan te tonen; of hyperreactiviteit (met een histamine- of metacholineprovocatietest). Om te meten of er sprake is van reversibiliteit laat je de patiënt drie keer blazen, en daarna nog drie keer na inhalatie van salbutamol (gestandaardiseerde bronchusverwijding).

2. Nee.

Een normale FEV1/FVC-ratio (≥ 5e percentiel van referentiepopulatie) na bronchusverwijding duidt op afwezigheid van obstructie en sluit de diagnose COPD uit, maar astma niet.

3. Nee.

Het meten van de perifere zuurstofsaturatie heeft geen toegevoegde waarde bij het vaststellen van de diagnose astma.

4. Ja.

Bij mevrouw Izmir is er sprake van een discrepantie tussen de klachten en de spirometrische afwijkingen (chronisch hoesten en normale spirometrie). In dit geval adviseert de NHG-Standaard een X-thorax of eventuele verwijzing naar de longarts voor aanvullende diagnostiek.

5. Nee.

In de nieuwe NHG-Standaarden astma en COPD wordt een nieuw afkappunt voor luchtwegobstructie geïntroduceerd. Luchtwegobstructie is aanwezig bij een FEV1/FVC-ratio (na bronchusverwijding) kleiner dan het 5e percentiel (van de referentiewaarden); het gefixeerde afkappunt voor obstructie (FEV1/FVC-ratio < 0,7) is vervallen.

6. Ja.

Bij naar schatting 10 tot 15% van de rokers wordt de diagnose COPD gesteld.

7. Nee.

Als behandeling van COPD wordt gestart met een SABA (bijvoorbeeld salbutamol of terbutaline) of een SAMA (short acting muscarinic antagonist zoals ipratropium). Bij onvoldoende verbetering bij de ene soort kies je voor een middel uit de andere soort, of je voegt een middel van de andere soort toe. Als de behandeldoelen niet worden gehaald, stap je over op een onderhoudsbehandeling met een LABA of LAMA (long acting muscarinic antagonist).
Daarnaast is het belangrijk om de inhalatietechniek te controleren. Een derde van de gebruikers inhaleert verkeerd waardoor de medicatie onvoldoende effect heeft.

8. Nee.

Inhalatiemedicatie kan lokale bijwerkingen geven, zoals heesheid en orale candidiasis bij ICS. Ook is toename van cariës een enkele maal gerapporteerd. Lokale bijwerkingen kunnen verminderd worden door na het nemen van de medicatie de tanden te poetsen en/of de mond te spoelen. Bij gebruik van een SABA of LABA kunnen bijwerkingen voorkomen zoals tremor van handen en vingers, hoofdpijn, vaatverwijding, stijging van de hartfrequentie en soms hypokaliëmie of hyperkaliëmie. Gebruik van SAMA of LAMA kunnen bijwerkingen hebben als een droge mond, of – zelden – glaucoom of urineretentie.

9. Nee.

Bij patiënten met een matige ziektelast is jaarlijks spirometrie voldoende. Bij adequate omgang met de aandoening bij patiënten die gestopt zijn met roken kan dit zelfs eenmaal per drie jaar.

10. Ja.

Het advies is voldoende te bewegen (bijvoorbeeld dagelijks een half uur matig intensief wandelen, fietsen, zwemmen of fitness). Als de patiënt onvoldoende beweegt vanwege bijvoorbeeld angst voor benauwdheid, is verwijzing naar een beweegprogramma onder leiding van een gespecialiseerde fysiotherapeut zinvol. Bij patiënten met matig ernstige obstructie en met relevante cardiovasculaire comorbiditeit zoals een cardiovasculaire aandoening of interventie in de voorgeschiedenis, is het verstandig voorafgaand aan inspanningstraining eerst ergometrie te verrichten om het risico van cardiovasculaire complicaties in te schatten.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2015, nummer 2

Literatuurverwijzingen: