Angelien Borgdorff: ‘Praktijkondersteuners moeten vlammen’

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Angelien vond het heel leuk om aan de wieg te staan van de nieuwe functie praktijkondersteuning. ‘We hadden allemaal een andere focus, de een diabetes, de ander COPD. Ik deed ouderenzorg. We konden het helemaal zelf invullen, al was het voor iedereen een beetje zoeken. Ook voor de huisartsen, want die waren niet gewend om dat soort zorg te delegeren.’ Angelien zette onder meer een wijknetwerk op waar driemaandelijks thema- en casuïstiekbesprekingen plaatsvonden met alle disciplines in de wijk.

Onder druk

‘Toen ik na ruim vijf jaar wegging, was het inmiddels duidelijk dat praktijkondersteuning een blijvende functie was. Wel stond elk jaar de financiering onder druk’. In Utrecht werd praktijkondersteuning lange tijd betaald uit AIV-gelden (advies, instructie, voorlichting). Sinds twee jaar betalen huisartsenpraktijken zelf de inzet van praktijkverpleegkundigen of ze hebben praktijkondersteuners in dienst. Het zelf in dienst nemen van praktijkondersteuners gebeurt steeds meer, merkt Angelien. ‘Er zijn op dit moment zo’n 38 praktijken bij Stadsmaatschap aangesloten, waarvan eenderde de praktijkondersteuning in eigen dienst heeft en tweederde van de thuiszorg haalt. Dat zou het eind van het jaar maar zo fiftyfifty kunnen zijn, omdat huisartsen de keus maken praktijkondersteuners zelf in dienst te nemen. Dat is immers goedkoper.’ Volgens Angelien heeft deze trend ook te maken met de huidige bezuinigingen in de huisartsenzorg. ‘Door de bezuinigingen investeren huisartsen minder gemakkelijk in de ketenzorg. Ook is er angst voor overschrijdingen. Daardoor worden er minder praktijkondersteuners ingezet.’ Een andere manier van bezuinigen is dat huisartsen vaak kiezen voor een lager opgeleide functionaris die goedkoper is. Angelien: ‘Dat werkt prima in de geprotocolleerde diabetes- en COPD-zorg, maar minder goed in bijvoorbeeld de complexe ouderenzorg. Dat vraagt om andere competenties. Praktijken met veel complexe zorg zijn in de regel daarom meer gebaat bij een hbo-opgeleide functionaris. Wat dat betreft kan ik mij goed vinden in het NHG/LHV-Standpunt Het (ondersteunende) team in de huisartsenvoorziening.’

Veranderde zorg

‘Inhoudelijk heb ik nooit getwijfeld dat praktijkondersteuning zou blijven. In de huisartsenzorg is immers zoveel veranderd. Er komt veel op de huisarts af waarvan ik denk dat niet alles per se door een medicus opgelost hoeft te worden, zoals complexe ouderenzorg en geprotocolleerde zorg. Eerlijk gezegd denk ik dat je sommige zorg beter door een verpleegkundige of praktijkondersteuner kunt laten doen dan door een huisarts. Bijvoorbeeld als het gaat om coördineren en continuïteit van zorg, de care in plaats van de cure. Dat kun je uitstekend aan praktijkverpleegkundigen overlaten. Hun focus ligt op het omgaan met lichamelijk lijden of een aandoening en dat integreren in je leven. Dat is wat anders dan de aandoening behandelen. Juist de taken die bij praktijkondersteuners en verpleegkundigen worden gelegd hebben te maken met omgaan met een ziekte. Zij zijn opgeleid om dat methodisch aan te pakken en hebben de competenties om dat soort zorg goed ter hand te nemen. En ze hebben meer tijd dan de huisarts.’

Zelfmanagement

‘Zelfmanagement is steeds meer in opkomst en dat juich ik toe’, vertelt Angelien. ‘De patiënt heeft zelf het heft in handen en moet zijn ziekte integreren in zijn dagelijks leven. Ik vind het belangrijk dat patiënten dat gaan beseffen. Over een jaar bekeken zie je een patiënt als verpleegkundige heel weinig en als huisarts nog minder. De rest van de tijd moet hij het zelf doen. Die verandering richting terug naar de patiënt vind ik een enorme uitdaging.’

Praktijkmanagement

Ze vindt het moeilijk om in te schatten hoe de situatie er over vijf jaar uitziet. ‘Dat is maar net wie er op die stoel bij VWS zit. Klink had een warm hart voor praktijkondersteuning en faciliteerde dat ook. Bij Schippers heb ik wat meer mijn twijfels. Alhoewel: zij wil goede zorg voor een zo laag mogelijke prijs. Dan kan je met praktijkondersteuners een heel eind komen. In die zin zal de functie wel niet direct opgeblazen worden. Over vijf jaar zijn huisartsen nog meer gewend aan het feit dat praktijkondersteuners een deel van de zorg op zich nemen in de praktijk. Huisartsen zonder praktijkondersteuning zullen dan een uitzondering vormen. Vanuit mijn functie als voorzitter van het Netwerk Eerstelijns Managers denk ik dat praktijkondersteuners voor een deel ook door zullen groeien naar de managementkant. Naast de chronische zorg is praktijkmanagement een onderdeel dat de huisarts goed kan delegeren. Ook daar valt heel veel in te ontlasten. Praktijkondersteuners zijn vaak uitstekende “regelneven” die een deel van de bedrijfsvoering voor hun rekening kunnen nemen, zoals het regelen van contracten, personeels- en kwaliteitsbeleid. In de complexe zorg hoop en verwacht ik dat het standpunt van NHG/LHV navolging zal vinden en dat verpleegkundige competenties hierbij van belang zijn en blijven.’

Opleiding

Angelien heeft een periode lesgegeven aan de opleiding tot praktijkondersteuner en was bij de start van de opleiding betrokken bij het maken van het curriculum. ‘Wat ik goed vond is dat daar heel goed geluisterd is naar het veld. Er is echt gekeken: wat komen praktijkverpleegkundigen tegen in de uitvoering van hun functie? Ook is veel nagedacht over welke competenties je nodig hebt om de functie goed te kunnen uitoefenen. Dat blijkt onder meer afhankelijk te zijn van de populatie in jouw praktijk.’ Angelien gaf les aan zowel de eenjarige groep als de tweejarige groep, dus aan doktersassistenten en verpleegkundigen. ‘Ik vond het verschil heel groot, uitzonderingen daargelaten. In de verpleegkundige groep hadden mensen meer ervaring in de chronische en ouderenzorg, ook in de tweede lijn. Zij waren gewend om zelfstandig dingen op te pakken, methodische zorgplannen te maken, zorg te evalueren. Doktersassistenten waren weer meer thuis in de mores en logistiek in de huisartsenpraktijk en dachten veel meer geprotocolleerd. Ik vond het moeilijk en ook kunstmatig om in twee jaar tijd doktersassistenten voor dezelfde eindtermen opgeleid te krijgen als de verpleegkundigen na een jaar. Ik heb me in alle eerlijkheid vaak afgevraagd: moeten we dat wel willen? Waarom niet praktijkondersteuners op zowel mbo- als hbo-niveau? Bij taakdelegatie gaat het er immers om dat je kijkt naar de competenties die je nodig hebt voor het uitoefenen van de functie. En die competentiebehoefte kan per praktijk en populatie verschillen. De huisarts en de physician assistant stellen we toch ook niet gelijk? Domeinstrijd is dan niet aan de orde. Iedereen doet waar hij goed in is en wat aansluit bij de vraag van de patiënt en de praktijk.’

Bevlogenheid

Hoe het ook zij, belangrijk is dat medewerkers in een huisartsenpraktijk hart voor hun vak hebben. ‘En dat hebben ze’, constateert Angelien, ‘zowel huisartsen als praktijkondersteuners als assistenten.’ Ze vindt het daarom een ontzettende leuke beroepsgroep om mee samen te werken. ‘Er is een enorme bevlogenheid en betrokkenheid bij de patiëntenpopulatie. Dat vind ik leuk om te zien, die gedrevenheid raakt me.’ Ze vindt dat praktijkondersteuners een signaalfunctie hebben: ze moeten als functionaris zichtbaar zijn, signaleren en overal hun voelsprieten uit hebben staan. ‘In de praktijk, maar ook naar patiënten toe. Je moet tussen de regels door kunnen horen en kijken. Praktijkondersteuners moeten vlammen. Het is een vak om trots op te zijn!’ Susan Umans

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2012, nummer 1

Literatuurverwijzingen: