Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

‘Misschien moeten praktijkondersteuners mijn cursus gaan geven’

Avatar
Redactie NHG/BSL

Reclame alom

Wanneer je de praktijk van Boesten in Mill betreedt, wordt je al snel duidelijk dat een tabakverslaving dient te worden bestreden. Overal zijn daarover pamfletten te vinden en in zijn spreekkamer hangt een grote plastic sigaret met daarop de tekst ‘no smoking’. Zelfs zijn e-mailadres (stopsmoking@zonnet.nl) getuigt van zijn missie.
Hij weet goed waarover hij praat: ‘Tot 1983 rookte ik zelf ook als een ketter. Ik zal nooit meer een sigaret aanraken, want na negen pogingen om te stoppen weet ik hoe moeilijk dat is.’ Juist vanuit zijn begrip voor de moeite die het kost om van je tabakverslaving af te komen, is hij begonnen met zijn cursus. ‘We hadden hier in 1986 een beurs over “de varkenshouderij en het milieu”. De organisatoren vroegen aan ons huisartsen of ook wij een stand wilden huren om het aspect “milieu en gezondheid” te belichten. Mijn collega van destijds, Ger van Lieshout, rukte de patiënten de sigaretten zo ongeveer uit de mond. Wij bedachten dat we het antiroken moesten belichten. Na het succes daarvan bekeken we wat er zoal in den lande gebeurde op het gebied van stoppen met roken. Dat was bedroevend weinig, en zo besloten we onze cursus op te zetten.’1

Succevolle aanpak

Ieder jaar heeft sindsdien een cursus plaatsgevonden en met groot succes. Het aantal deelnemers lag altijd zo rond de 50; in een jaar waarin er 87 inschrijvingen waren, moest de cursus zelfs voor 2 groepen draaien. Alle huisartsen in de omgeving stuurden hun rokende patiënten dan ook door naar Boesten. In een soort psychologische oorlogsvoering heeft die goed bedacht wat precies wanneer moest gebeuren om een maximale kans van slagen te hebben. ‘In december hield ik 2 “warming-up bijeenkomsten”, zodat mensen extra gemotiveerd raakten om te stoppen. De echte inschrijving voor de cursus was op 30 december en de stopdatum was 1 januari. Ik zei altijd: “Je mag Oudejaarsavond net zoveel roken als je maar wilt en desnoods de halve nacht opblijven en doorroken, maar als je uit bed komt is het afgelopen.” In de eerste stopweek hield ik 3 bijeenkomsten en die frequentie werd in de loop van de volgende 6 maanden geleidelijk afgebouwd. In totaal kwamen we zo 25 avonden bij elkaar.’
Deze intensieve begeleiding wierp duidelijk vruchten af: ‘Na afloop van de cursus lag het aantal stoppers altijd tussen de 60 en 70% en een halfjaar later was dat nog steeds meer dan 50%.’

Loon naar werken?

De cursus vergde dus een forse tijdsinvestering, waar slechts een geringe financiële vergoeding tegenover stond. Boesten: ‘De deelnemers moesten voor de hele cursus wel wat betalen, namelijk het bedrag dat ze in één maand aan hun roken uitgaven. Dus wie een pakje per dag rookte, moest het geld voor dertig pakjes betalen voor de cursus. Wie na een halfjaar nog steeds niet rookte, kreeg als beloning de helft van zijn cursusgeld terug.’
Gelukkig stond Boesten er niet alleen voor. ‘Ik kreeg altijd heel veel medewerking. De cardioloog en de longarts kwamen langs om te vertellen waarom roken op hun vakgebied slecht is voor de mens, compleet met plaatjes van gezonde longen en vaten versus de longen en vaten van rokers. Van iedere cursist werd voor aanvang een risicoprofiel HVZ opgesteld en bovendien werd de longfunctie gemeten in het ziekenhuis. Dat laatste deed de assistente van de longarts, gesponsord door het ziekenhuis, dus dat kostte de deelnemers niets. En ik kon aan de hand van de uitslag dan weer uitleggen hoe de longfunctie van de patiënt eruitzag en wat het effect van roken daarop is.’

Ventileren en voorlichten

Bovenal was het “ventileren” een belangrijk onderdeel van de cursus. ‘Het delen van ervaringen en tips is voor de deelnemers heel goed. Je merkt dat mensen bij wie het onderling klikt steeds samen aan dezelfde tafeltjes gaan zitten en telefoonnummers uitwisselen zodat ze elkaar kunnen bellen als ze het even moeilijk hebben. Zo’n sociaal netwerk is zeer effectief. Overigens gaf ik iedereen ook altijd mijn eigen telefoonnummer en zei ik dat ze me altijd mochten bellen als ze overwogen een sigaret op te steken. Dat kon ik heel veilig doen, hoor; er is in al die jaren maar een handjevol keren gebruik van gemaakt.’
Ook mag de rol van voorlichting tijdens de bijeenkomsten niet worden onderschat. ‘Mensen weten wel dat je longkanker kunt krijgen van roken, maar het effect op hart en vaten is veel minder bekend. Laat staan dat men weet dat bijvoorbeeld maagklachten, of kanker aan de blaas of de nieren door roken kunnen ontstaan. Als je uitlegt hoe het lichaam functioneert en waar die nicotine allemaal naartoe gaat, wordt de schadelijkheid van roken steeds duidelijker.’

[[img:196]]

Neergang van de cursus

Tot en met 2005 was de cursus een enorm succes. In dat jaar was het aantal deelnemers zelfs hoger dan ooit, omdat de rookverboden op het werk toen werden afgevaardigd. Maar in 2006 waren er opeens slechts zestien deelnemers. Boesten liet dat jaar de cursus toch doorgaan, al vond hij dat eigenlijk niet meer echt de moeite waard. In 2007 was er helemaal geen cursus, maar dat gaat hem zeer aan het hart. ‘Vermoedelijk komt die teruggang door de inzet van de praktijkondersteuner. De huisartsen uit de regio verwijzen patiënten die willen stoppen met roken nu niet meer naar mij. En aangezien de begeleiding door de praktijkondersteuner gratis is, komt de patiënt ook niet uit zichzelf naar mij toe.’
Boesten protesteert: ‘Dat is echt jammer, want het succes van de cursus lag in de intensiviteit van de begeleiding. Als je mensen van het roken af wilt helpen, zijn simpelweg drie of vier gesprekjes in de meeste gevallen niet voldoende. En het is echt heel erg belangrijk dat mensen ophouden met roken. Immers: 40% van de mensen sterft aan HVZ, en 40% daarvan komt door roken. En 30% van de mensen sterft aan kanker; 30% daarvan komt door roken. Maar bovenal: 10% van de mensen sterft aan COPD en 90% daarvan komt door roken. Het is dus een simpel optelsommetje hoe belangrijk het is om je patiënt van het roken af te krijgen.’

Praktijkondersteuner voor de klas?

Dat het tij niet zal kunnen worden gekeerd, is Boesten wel duidelijk. ‘Ik zou echt heel graag doorgaan met het geven van mijn cursus, want ik heb dat altijd met verschrikkelijk veel lol gedaan. Maar met zo’n laag aantal inschrijvingen heeft dat niet voldoende zin. Misschien moeten praktijkondersteuners deze aanpak nu maar van mij overnemen. Zij werken vaak voor meerdere praktijken en hebben dus een grote patiëntenpopulatie waaruit ze kandidaten voor deze vorm van begeleiding kunnen putten. En ook kunnen ze hun krachten bundelen met praktijkondersteuners uit hun regio, zodat ze er niet alleen voor staan. En het ziet er misschien wel uit als heel veel werk, maar het is zo leuk om te doen en de resultaten zijn dusdanig bevredigend, dat het plezier ruimschoots opweegt tegen de werklast. Bovendien is het maar één keer per jaar, dus dat valt reuze mee.’
Overigens meent Boesten dat praktijkondersteuners prima in staat zouden zijn een dergelijke cursus te begeleiden. ‘Ze moeten dan wel een training motiverende gesprekstechnieken volgen, want dat is heel belangrijk bij de aanpak. En verder zouden ze, net als ik, aan specialisten kunnen vragen om een avondje voorlichting te komen geven over het effect van roken op hun eigen vakgebied.’

De opzet van de cursus van Boesten:

  • Laatste week december: bijeenkomst voor de ‘warming-up’. Zo gaan mensen goed voorbereid en gemotiveerd aan hun stoppoging beginnen. Ondersteun dit door voor alle cursisten een risicoprofiel HVZ te maken.
  • 30 december: een tweede voorbereidende bijeenkomst waarbij de cursisten zich definitief inschrijven voor de cursus en hun ‘cursusgeld’ (de kosten van één maand roken) voldoen.
  • 1 januari: definitieve stopdatum van alle deelnemers.
  • Eerste week januari: liefst drie bijeenkomsten (om de dag), want dit is de moeilijkste periode voor de stoppers.
  • Tweede week januari: twee bijeenkomsten. Hierna de frequentie afbouwen (eens per week, eens per twee weken, et cetera). In totaal bestaat de cursus uit 25 bijeenkomsten.
  • 30 juni: feestelijk einde van de cursus. Degenen die dan definitief zijn gestopt, ontvangen de helft van hun cursusgeld retour.

Werkwijze tijdens de bijeenkomsten:

  • Geef tijdens elke bijeenkomst de deelnemers ruimschoots gelegenheid tot het ‘ventileren’: laat hen in groepjes verdeeld aan tafeltjes ervaringen, gevoelens en ideeën uitwisselen.
  • Loop hierbij wat rond en geef waar mogelijk tips (veel water drinken, iets in de mond nemen).
  • Geef plenair voorlichting over de schadelijkheid van roken en wat het stoppen oplevert aan gezondheidswinst. Schakel hier zoveel mogelijk specialisten of andere ‘externe deskundigen’ in.
  • Stimuleer onderling contact tussen de cursisten. Laat hen telefoonnummers uitwisselen voor de moeilijke momenten. Ook carpoolen is een goed middel.

[[img:197]]

Ziekte en slikken

‘Roken is een nieuwe ziekte’, beweert Boesten. ‘De laatste jaren zie je dat rokers andere behandelingen en zelfs andere medicatievoorschriften krijgen. Ik heb daar soms grote moeite mee. Zo wordt vaak gezegd dat het ethisch niet verantwoord zou zijn om iemand benauwd te laten zijn. Dus roken of niet, we schrijven allemaal een luchtwegverwijder voor. Maar we zetten dan wel die luchtpijp open zodat de nicotine vrijelijk naar binnen kan. Het zou me niet verbazen als onderzoek zou aantonen dat roken plús luchtwegverwijders extra schadelijk is voor COPD. Zo ook gaan corticosteroïden de hoestprikkel tegen, waardoor de patiënt lekker kan doorroken. Eigenlijk zorg je er met dat soort medicijnen dus voor dat de patiënt extra gemakkelijk kan doorgaan met zijn destructieve gedrag, en dat vind ík dan weer niet ethisch verantwoord!’
Boesten is evenmin gelukkig met alle richtlijnen uit de nieuwe NHG-Standaard Stoppen met roken. De terughoudendheid bij de medicamenteuze therapie is voor hem een struikelblok. ‘Bupropion en nortriptyline mogen nu wel worden voorgeschreven, maar dan slechts voor een periode van tien tot twaalf weken. Dat begrijp ik niet. Van mij mag een patiënt het desnoods levenslang slikken, als hij maar niet meer rookt. Ook begrijp ik niet waarom bupropion niet wordt vergoed, want het werkt even goed als nortriptyline. En volgens de standaard wordt varenicline nog niet geadviseerd omdat daar onvoldoende ervaring mee is. Maar in België wordt wel met het middel gewerkt en de ervaringen zijn heel goed. Aangezien de betrokken receptoren in de hersenen door varenicline “bezet” worden gehouden, ervaart de patiënt dezelfde bevrediging als bij nicotine-inname en dus heeft een toch opgestoken sigaret ook geen enkel effect.’

De roker als melkkoe

Als het gaat om de rol van de overheid en de zorgverzekeraars bij de bestrijding van roken, ontwaakt bij Boesten de verontwaardiging. ‘Rokers sterven nu eenmaal goedkoop. Ze gaan vroeger dood, en dat is goed tegen de vergrijzing. En met de gigantische hoeveelheden accijns die ze levenslang hebben betaald voor hun tabak, hebben ze hun ziekbed ook ruimschoots bekostigd. Zolang rokers zo’n melkkoe vormen, is het niet in het belang van de overheid dat ze stoppen. Ook nu weer zie je dat de regeringsplannen worden bekostigd uit verhoging van de accijns op tabak.’
Zo ook meent Boesten dat de zorgverzekeraars een financiële vergoeding zouden moeten geven aan huisartsenpraktijken die patiënten begeleiden bij het stoppen met roken. ‘In België ontvangt een erkend tabakoloog € 120,- per patiënt. Als deze stopt met behulp van medicijnen, wordt daarvan ook nog eens € 55,- vergoed. Ik begrijp niet waarom dat in Nederland niet ook kan. Hierover heb ik Ab Klink al een mailtje gestuurd, maar daar heb ik natuurlijk nog geen antwoord op ontvangen. Toch zou ik graag die discussie eens met hem aangaan. Want al die centra waar verslaafden aan alcohol en drugs naartoe kunnen, worden wél vergoed door de overheid. Waarom geldt dat dan niet ook voor rookverslaving?’

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2008, nummer 1

Literatuurverwijzingen:

Literatuur

1Van Lieshout GJCM, Boesten JNJ. Een ‘stop met roken’-cursus. Huisarts Wet 1990;33:358-9.