Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Spuitinfiltraten

Avatar
Redactie NHG/BSL

Wat is er over bekend?

Spuitinfiltraten zijn vaste, hard aanvoelende bobbels in het onderhuids vetweefsel, ook wel lipodystrofie of lipo’s genoemd. Het komt bij 30-50% van de insulinespuitende patiënten voor.

Wat kan ik de patiënt vertellen?

Wanneer de insulinebehoefte bij een patiënt stijgt, moet er mede gedacht worden aan een spuitinfiltraat. Doordat iemand meerdere keren op dezelfde plek spuit, kan een fibreuze littekenachtige plek ontstaan in het onderhuids vetweefsel. Het hergebruiken van een oude naald kan de situatie verergeren. Door de ontsteking wordt de insuline opgeslagen en minder goed geresorbeerd, waardoor de insulinebehoefte toeneemt; er is steeds meer insuline nodig om de glucoseregulatie goed te houden.
Deze infiltraten zijn overigens meestal pijnloos en beter te voelen dan te zien.

Wat kan ik de patiënt adviseren?

Gezien het feit dat spuitinfiltraten zo vaak voorkomen, blijft het van belang om patiënten regelmatig voor te lichten en de huid bij voorkeur driemaandelijks te controleren. Let bij onderzoek op zwellingen, roodheid en andere verkleuring van de huid.
De meeste mensen hebben een voorkeursplek om te injecteren, deze wordt onder andere bepaald omdat men rechts- of linkshandig is (de dominante hand). Om spuitinfiltraten te voorkomen, adviseer je om de injectieplaats te wisselen door te roteren en bij elke spuitplaats minimaal een centimeter afstand te houden. Hiervoor zijn speciale rotatiekaarten beschikbaar. Ook adviseer je om bij elke injectie een nieuwe naald te gebruiken en de huid niet na een injectie te masseren. De patiënt moet altijd in gezonde huid spuiten en niet in blauwe plekken, krassen of littekentjes.
Wanneer je een spuitinfiltraat constateert, geef je het advies deze de komende maanden te mijden als spuitplaats en uit te wijken naar een andere injectiezone in gezond weefsel. Doordat de insulinebehoefte naar alle waarschijnlijkheid afneemt, is het van belang om de bloedsuikers te controleren en de insuline aan te passen. In de meeste gevallen kan de insuline worden verlaagd, tot vaak de helft van de oude dosering.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2014, nummer 3

Literatuurverwijzingen:

1Verhoeven S, Kleefstra N, Bilo H, Houweling ST, Van der Leden MB, Verhoeven, RP. Insulinetherapie in de eerste lijn. Langerhans School of diabetes.