Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Spontane neusbloeding

Avatar
Redactie NHG/BSL

Een spontane bloedneus komt veel voor en is meestal onschuldig. Er stroomt bloed uit een of twee neusgaten en soms proeven we de smaak van bloed omdat het bloed in de keel loopt.

Wat is erover bekend?

Hoeveel mensen jaarlijks een bloedneus krijgen is onbekend, omdat lang niet iedereen met een bloedneus naar de huisarts gaat. Dat doen slechts 3,7 patiënten per 1000 mensen. Een bloedneus kan zowel een lokale oorzaak hebben als het gevolg zijn van een aandoening elders in het lichaam. De meest voorkomende neusbloeding ontstaat in de neus zelf. Op het neustussenschot bevindt zich een fijn netwerk van kleine bloedvaatjes. Hier kan gemakkelijk een bloeding ontstaan als gevolg van een infectie, neuspeuteren, iets in de neus stoppen (kraaltje) of door uitdroging van het neusslijmvlies. Bij ouderen ontstaat de bloeding vaker hoger in het neusgedeelte.
Wanneer een bloedneus een symptoom is van een aandoening elders in het lichaam, is de oorzaak meestal een infectieziekte of een lokaal infectieuze beschadiging door griep of verkoudheid. Ook bij allergische rinitis is de kans op neusbloedingen vergroot. Verder verhogen sommige medicamenten de kans op een neusbloeding, zoals bloedverdunners (acenocoumerol, fenprocoumon) en is bij mensen met hoge bloeddruk het risico op een bloedneus hoger.

Wat kan ik voor de patiënt doen?

Als een patiënt de praktijk belt over een spontane bloedneus, vraagt de assistente in eerste instantie wat de patiënt al zelf heeft gedaan. Daarna zijn de volgende instructies meestal afdoende. Om de bloeding te stoppen, moet de patiënt rustig gaan zitten en eerst flink uitsnuiten. Daarna moet hij de neus gedurende 10 minuten vlak onder het neusbeen dichtknijpen, waar het zachte deel van de neus begint. Dit gaat het best zittend aan een tafel in de zogenaamde schrijfhouding: licht voorovergebogen, met de armen leunend op tafel. Het is belangrijk dit lang genoeg te doen; meestal wordt de neus te kort dichtgedrukt. Als de bloeding niet stopt, kan de huisarts een neustampon plaatsen. Deze wordt na het inbrengen bevochtigd met fysiologisch zout of xylometazoline 1%. Na 3 tot 5 dagen mag de tampon er uit. Soms blijft de neus bloeden, vooral als de bloeding hoger in het neusgedeelte zit. Meestal verwijst de huisarts de patiënt dan naar de KNO-arts.

Wat kan ik uitleggen?

Veel patiënten die bij de praktijkondersteuner op het spreekuur komen, gebruiken bloedverdunners en hebben daardoor een verhoogde kans op het krijgen van neusbloedingen. Wanneer de patiënt bekend is bij de trombosedienst, is het verstandig om bij een bloedneus contact op te nemen met de trombosedienst: mogelijk moet de medicatie dan aangepast worden. Bij patiënten met (vermoedelijk) hoge bloeddruk kun je uitleggen dat een neusbloeding mogelijk met hypertensie te maken heeft. Je kunt de bloeddruk controleren en nagaan of de medicatie veranderd moet worden.
Verder kun je vertellen dat een bloedneus zelden ernstig is en dat je het niet altijd kunt voorkomen. Patiënten die af en toe een bloedneus krijgen kun je adviseren om in elk geval niet in de neus te peuteren en niet al te hard hun neus te snuiten. Ook kun je adviseren bakjes water op de verwarming te plaatsen om zo uitdroging van het neusslijmvlies te voorkomen. Als een patiënt regelmatig last blijft houden van bloedneuzen, is het verstandig om de huisarts te consulteren. Hij zal het neusseptum en de neusholte inspecteren. Indien nodig kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de KNO-arts voor een lokale behandeling, zoals het dichtbranden van de bloedvaatjes of voor uitgebreider onderzoek.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2011, nummer 2

Literatuurverwijzingen:

Literatuur

1Eekhof JAH, Knuistingh Neven A, W. Opstelten W. Kleine kwalen in de huisartspraktijk. Maarssen: Elsevier Gezondheidszorg, 2010.
2NHG-Patiëntenfolder Een bloedneus. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap, 2008. www.nhg.org/kennis/voorlichting/NHG-Patiëntenfolders