Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Mijn praktijkondersteuner / mijn huisarts

De praktijkondersteuner: Wilma Deelen (45), praktijkverpleegkundige bij gehandicaptenzorgorganisatie Philadelphia in Vierhouten
Opleiding: Z-verpleegkundige, POH
Werk hiervoor: Z-verpleegkundige, doktersassistente
Praktijkondersteuner sinds: 2004

[[img:210]]

‘Wanneer ga je nu in een echte huisartsenpraktijk werken? Die vraag kreeg ik regelmatig tijdens mijn opleiding tot praktijkondersteuner en mensen vragen het nog steeds. Alsof dit werk er minder toe doet. Ik heb altijd bij Philadelphia gewerkt. Als 17-jarige begon ik aan de opleiding tot Z-verpleegkundige en ik heb zeven jaar in die functie gewerkt. Na een tussenstop van een aantal jaren niet werken solliciteerde ik er als doktersassistente. Van daaruit ben ik de POH-opleiding gaan doen.
Elke praktijkondersteuner in opleiding mag zijn werk ook als stageplek gebruiken, behalve ik. Ze vonden het werk niet veelzijdig genoeg. Ik moest in een huisartsenpraktijk stage lopen. Daar was ik het niet helemaal mee eens. Uiteindelijk heb ik er een combinatie van gemaakt. Praktijkondersteuner bij een organisatie voor mensen met een verstandelijke of meervoudige beperking is amper te vergelijken met het praktijkondersteunende werk in een huisartsenpraktijk. Ik ervaar mijn werk als veel afwisselender en dus leuker dan bij een huisarts. Het is heel boeiend om met mensen met een verstandelijke of meervoudige beperking te werken. Bij een huisarts zie je vooral diabeten of andere patiënten met chronische ziekten. Je bent de hele dag bezig mensen te vertellen dat ze meer moeten bewegen en minder moeten roken. Bovendien heb ik hier met één arts te maken in plaats van met drie of vier die allemaal net iets anders werken. Vóór Teus hier was, heb ik zelf ook veel met andere artsen gewerkt. Bijvoorbeeld met een huisarts die altijd binnen kwam vliegen en weinig tijd had. Dan moet je in de drukte een gaatje vinden waarin de dokter nog even naar je wil luisteren. Ik hoor ook van praktijkondersteuners die bij een huisarts werken dat deze huisartsen vaak zelf niet meer op de hoogte blijven van de ontwikkelingen rondom diabetes of COPD. Teus en ik zijn inmiddels goed op elkaar ingespeeld. Hij is heel toegankelijk en makkelijk aanspreekbaar, ook voor het andere personeel. Je weet dat er tijd voor je is. Dat vind ik een kwaliteitsverbetering.
Ik werk op vraag en op locatie. Vanmiddag rijd ik bijvoorbeeld op weg naar huis even langs een locatie waar ik vier bewoners hun oren uit moet spuiten. Die werken overdag, dus ik stel me flexibel op.
Binnen Philadelphia ben ik de enige met een POH-opleiding. Omdat ik een verpleegkundige-opleiding heb en daardoor BIG-geregistreerd ben, heet mijn functie hier praktijkverpleegkundige. Mijn werk bestaat voor een groot deel uit voorlichting geven aan medewerkers in de groepsbegeleiding en bij de dagbesteding. Om 1 patiënt heen heb je wel 15 mensen die moeten weten hoe het moet. Ik doe veel aan epilepsievoorlichting omdat bij ons eenderde van de patiënten epilepsie heeft. Daar heb ik een aparte epilepsie-opleiding voor gevolgd. Binnenkort ga ik een module ouderenzorg doen omdat we in onze populatie steeds meer te maken krijgen met ouder wordende patiënten. Gedurende hun hele leven hebben deze mensen te maken met complexe ziektebeelden. En daar komen dan ook nog gedragsproblemen bij.’

De verpleeghuisarts: Teus Ceelen (49)
Werkzaam bij: Philadelphia in Vierhouten
Werkt met POH sinds: 2006

[[img:211]]

‘Sinds drie jaar laat Philadelphia de medische zorg door een verpleeghuisarts doen. Met de introductie van een praktijkverpleegkundige krijgt het werk steeds meer vorm; ook van bovenaf geeft men groen licht om steeds verder te komen. Er wonen hier behoorlijk wat mensen die geïnstitutionaliseerd zijn en extra zorg nodig hebben. Ik heb als verpleeghuisarts (ook) te maken met complexe zorg. In het verpleeghuis werk ik overigens niet met een praktijkondersteuner. Wel met een diabetesverpleegkundige, maar ik vind die functie toch van een andere orde. Wilma is echt een duizendpoot. Het lastige aan haar werk is dat ze goedbedoelende medewerkers, die niet zoveel medische achtergrond hebben, duidelijk moet maken dat ze op een professionele manier moeten werken. Ze moet veel instructies geven en veel herhalen; er is continu onderhoud nodig. De behandeling van onze patiënten gebeurt immers niet rechtstreeks, maar verloopt via anderen. Soms moet Wilma een soort detective spelen om erachter te komen waar het mis gaat. Dan merk je bijvoorbeeld dat bij een patiënt niet op de juiste manier insuline wordt gespoten. Ze moet dan voor de hele groep de instructie nog eens herhalen.
Wilma heeft een speciale manier van benaderen. Ik zie dat bijvoorbeeld bij bepaalde diabeten die moeilijk instelbaar zijn. In een normale praktijk was het niet gelukt en bij Wilma lukt het wel. Ze zit er dicht op. Ik merk dat ik rustig een stap achteruit kan doen.
Onze populatie veroudert en dat vraagt bijzondere aandacht. Vroeger werd iemand met het syndroom van Down hooguit 45 jaar. Nu hebben we al een aantal mensen die dik in de 60 zijn. Ze krijgen specifieke klachten die bij het ouder worden horen, zoals hart- en vaatziekten, gewrichtsklachten, diabetes en obstipatie. Dat laatste is sowieso een probleem bij onze populatie. Ook dementie komt eerder voor. Het betekent dat je vroeg moet gaan screenen, eigenlijk al bij mensen van 45 jaar. We willen dat in de toekomst ook meer structureren.
Voor Philadelphia werk ik 16 uur: 8 uur besteed ik aan visites en 8 uur aan extra taken. Ik ben standaard 2 dagdelen hier. Wilma voert dan de gewone doktersassistentetaken uit, zoals agendabeheer. Dat is voor mij gemakkelijk en helpt om overzicht te houden. Ik wil al onze patiënten (zo’n 130) wel ergens op mijn netvlies hebben, in tegenstelling tot een huisarts die voor tijdwinst gaat en stelt dat hij niet alle patiënten meer kan zien of alle ontwikkelingen kan blijven bijhouden. In een verpleeghuis kom je ook alles tegen. Daar moet ik overigens zelf meer regelen. De winst zit hier in het vervolgstuk, dat Wilma als vaste factor bijvoorbeeld regelmatige controles doet. Ze gaat dan ook verder dan de doktersassistentetaken. Ik hoef daarvoor niet steeds in de buurt te zijn. We houden nauw contact voor een goede afstemming. Maar dat loopt prima. Wilma heeft hier een unieke positie vind ik. Ze is moeilijk te vervangen. Ik kan me ook niet voorstellen dat haar functie zal verdwijnen, hoewel je nooit weet wat er binnen de organisatie wordt besloten. Praktijkondersteuner en verpleeghuisarts vind ik een unieke combinatie binnen de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.’

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2008, nummer 3

Literatuurverwijzingen: