Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Mijn praktijkondersteuner / Mijn huisarts

Avatar
Redactie NHG/BSL

Praktijkondersteuner en huisarts vormen een aparte constellatie. Op deze plek komen telkens twee ervaringsdeskundigen apart van elkaar aan het woord. Hoe vinden zij dat ze samenwerken? En wat vinden ze van elkaar? Lees hier over de werkrelatie van je collega’s!

De praktijkondersteuner: Karin van der Burgt (27), POH bij hagro in Bakel
Opleiding: bezig met POH-opleiding in Nijmegen
Werk hiervoor: 4,5 jaar als doktersassistente in dezelfde praktijk

‘Toen ik hier op sollicitatiegesprek kwam voor de functie van doktersassistentie, begreep ik al snel dat het een drukke praktijk was waar van alles op stapel stond, zoals een astma/COPD-spreekuur en een spreekuur voor CVR. In plaats dat ik er enthousiast van werd, schrok ik er een beetje van terug: help, wat gebeurt hier veel, dat kan ik vast niet aan! Maar dat gevoel verdween snel, ik kreeg de ruimte om te leren en te groeien. Na dik vier jaar assistente begon het te kriebelen. Als assistente weet je van alles een klein beetje. Ik had behoefte aan meer verdieping, aan het opbouwen van meer kennis. Toen onze praktijkondersteuner parttime wilde gaan werken, was dat voor mij een prima kans om die ambitie waar te maken. Nu volg ik sinds een paar maanden de POH-opleiding in Nijmegen, die twee jaar duurt. De combinatie van werk en studie valt me mee qua drukte, ik kan beide goed aan. Op dit moment zit ik nog in het voortraject en ga eens per twee weken een dag naar school. Misschien wordt het straks drukker, als ik bijna elke week naar school moet.
Naast de nodige managementtaken ben ik ook bezig het CVR-spreekuur op te zetten, dat zich richt op secundaire preventie. Hoe ik dat doe? Veel met anderen gepraat, op internet rondgekeken, de NHG-Standaard geraadpleegd, en overleg gehad met de huisartsen hier. Na een maand of drie had ik een soort van draaiboek klaar. Daar ben ik mee begonnen: zolang je het niet gewoon doet, weet je niet of het werkt, toch? Tot nu toe zijn mensen blij als ik ze uitnodig voor het spreekuur. Ze hebben hartklachten gehad, en lopen niet meer bij een specialist: dan vinden veel mensen het een prettig idee als er op een bepaalde manier nog op hen wordt gelet. Ik merk wel dat patiënten me nog steeds niet goed kunnen plaatsen. Ze noemen me ‘halve dokter’ of ‘arts-assistent’. Het is ook verwarrend, ze kenden me als assistente en nu doe ik wat anders. In de wachtkamer hoor ik mensen praten over het bordje dat bij mijn deur hangt: praktijkondersteuner, wat zou dat precies zijn? De term geeft eigenlijk onvoldoende aan wat je taken inhouden.
Peter is als huisarts rustig en serieus in zijn werk. Hij houdt van een vaste dagindeling. Vergaderingen of visites inplannen op afwijkende tijden, daar wordt hij niet zo gelukkig van, tenzij het écht niet anders kan natuurlijk. Ik kijk nu al met andere ogen naar de patiënten dan ik deed als assistente. Het contact is intenser, ik zie ze meer als individuen. Dat komt ook door de manier van werken van Peter. Laatst had ik een discussie met hem over patiënten met hart- en vaatklachten, die duidelijk geen zin hadden om een stanine te moeten slikken tegen hun te hoge LDL-cholesterol. Dit staat wel voorgeschreven in de NHG-Standaard. De ene arts zegt: het staat erin, dus ik schrijf het voor. Peter zegt: Dit gaat maar over een kleine risicovermindering, dus ik informeer de patiënt over de situatie en wat de gebruikelijke adviezen zijn hierin, en laat hem zelf beslissen. Sommige patiënten staat het gewoon enorm tegen om wéér iets erbij te moeten slikken. Of ze vinden het helemaal niet nodig. Je moet kijken naar wat het beste bij hen past, het werkt niet om ze over één kam te scheren. Dat was nog niet in me opgekomen, dat de patiënt zelf ook een keuze kan maken. Het maakt dit werk des te interessanter.’

De huisarts: Peter Lucassen (54), huisarts in Bakel, behorend tot hagro
Hagro: vier huisartsen, twee praktijkondersteuners
POH vanaf: 2003

‘Mijn hele werkzame leven als huisarts, dat is vanaf 1983, heb ik in dit dorp gewerkt. Jarenlang fulltime, en de laatste vier jaar parttime, drie dagen per week. De andere twee dagen zit ik in het Huisartseninstituut in Nijmegen, waarin wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt op het gebied van de huisartsengeneeskunde. Huisartsen krijgen vaak te maken met klachten die onduidelijk of vaag zijn. Omdat het een beginstadium is van een aandoening (áls daar natuurlijk al sprake is), lijken de klachten nog dikwijls op die van andere ziektes, waardoor het van alles kan zijn. Het Huisartseninstituut wil meer helderheid brengen in dat ‘grijze’ gebied. Ik heb de leiding over de afdeling die zich met geestelijke klachten bezighoudt, zoals depressiviteit. Voor mij is het een ideale werkcombinatie. Het huisartsenwerk is veelal hapsnap, elke tien minuten is er wat anders. In Nijmegen krijg ik de kans voor reflectie, daar kan ik veel dieper op materie ingaan. En van daaruit weer onderzoeksvragen formuleren die van belang zijn voor de dagelijkse praktijk.
Vanaf 2003 werken we met praktijkondersteuners. Toen het financieel mogelijk werd een POH’er in dienst te nemen, is een van onze assistenten de opleiding gaan doen. Het diabetesspreekuur werd al verzorgd door de andere assistenten; dat liep zo goed dat we besloten dit bij hen te laten. Ze vonden het geweldig om te doen, hadden een goede band met de patiënten, dus waarom dat veranderen? We kozen ervoor om een astma/COPD-spreekuur op te zetten. Toen deze praktijkondersteuner vorig jaar moeder werd en niet meer fulltime wilde werken, bleek een andere assistente interesse te hebben in de POH-opleiding: dat was Karin. Ze volgt sinds een paar maanden de opleiding. Tegelijkertijd is ze hier bezig om een spreekuur op te zetten voor cardiovasculair risicomanagement, en dan vooral secundaire preventie. Praktijkondersteuning betekent voor mij vooral de controle van patiëntengroepen met chronische ziekten. Ik zie andere artsen ook taken uitbesteden aan hun ondersteuners, waarvan ik me afvraag of dat zo handig is: ziekenhuisbezoek van ernstige zieke patiënten bijvoorbeeld, of thuisbezoek van dementerenden. Als huisarts ben ik eenmaal de persoon die al die jaren het persoonlijke contact heeft gehad met deze mensen. Dat overlaten aan een ander zou voelen als onnodige versnippering van de zorg.
Karin is dan nog wel in opleiding, maar daar merk ik weinig van. Het opzetten van haar spreekuur gaat voorspoedig. Ze pakt het gedegen aan, naar mijn indruk. We hebben dan wel twee goede assistenten ‘verloren’, maar er twee geweldige praktijkondersteuners voor teruggekregen. Ik ben heel blij met hun werk, want zelf ben ik niet zo goed in al die routinecontroles. Waarom niet? Vrij simpel: ik vind ze eigenlijk maar saai! Spreekuur houden vind ik leuk, maar dan wil ik het liefst mensen zien die naar me toe komen omdat ze dat zelf willen, niet omdat ze van mij moeten komen. Ik vind protocollen wel nuttig, maar ik vind dat je er erg kritisch mee moet omgaan. Dat klinkt misschien raar uit de mond van een ex-redacteur van het blad Huisarts & Wetenschap. Standaarden vind ik op zich prima, maar er is een cultuur aan het ontstaan dat alles uit en te na gecontroleerd moet worden. En ik vraag me af of mensen werkelijk beter worden van al die controles en medicijnen. Ik bedoel, een astmapatiënt die rookt, weet zelf ook heel goed wat hem het meeste vooruit zou helpen: gewoon stoppen. Maar die keuze kan ik niet voor hem maken. Vandaar dat ik, als het gezondheidstechnisch verantwoord is, de keuze van de patiënt leidend laat zijn, en niet het protocol.’

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2006, nummer 3

Literatuurverwijzingen: