Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

‘Het succes van praktijkondersteuning vraagt om doorontwikkeling’

Avatar
Redactie NHG/BSL

‘De komst van de praktijkondersteuner is hartstikke goed geweest’, benadrukt Nelleke. ‘De zorg voor de patiënten met chronische aandoeningen is verbeterd sinds de praktijkondersteuner er is. Weliswaar heeft het voor de huisartsen niet zoveel taakverlichting opgeleverd, maar er zijn grote kwaliteitsslagen gemaakt. Wel zie je dat veel praktijkondersteuners zich op één aandachtsgebied richten: diabetes, astma/COPD, of CVRM. Het gevolg daarvan is dat patiënten met meerdere aandoeningen voor elke aandoening een ander gezicht zien. Ze hebben dan geen vaste zorgverlener meer, terwijl dat toch een kernwaarde van de huisartsenzorg is. Het hebben van een persoonlijke relatie met patiënten en ze kennen, dat is de kracht van de huisarts. De huisarts ziet de patiënt in de loop der tijd regelmatig voor veel verschillende dingen. Als dat een kernwaarde van de huisartsenzorg is, dan moet je dat ook toepassen op de mensen aan wie je taken delegeert. Vandaar dat in het standpunt is opgenomen dat generalisme ook moet gelden voor het ondersteunend personeel. Bij de huisarts heeft dat een meerwaarde omdat hij de patiënt kent en dat werkt ook zo bij de praktijkondersteuner. In onze praktijk hebben we drie praktijkondersteuners die alledrie alle zorgprogramma’s doen. Dat betekent dat de patiënt die diabetes èn COPD heeft bij dezelfde praktijkverpleegkundige komt. Dat kan heel goed want het gaat om hetzelfde type adviezen bij COPD als bij diabetes: patiënten moeten allemaal stoppen met roken, afvallen en actief worden. De praktijkondersteuner geeft leefstijladviezen en leert de patiënt omgaan met zijn aandoening. Daarnaast zie je dat er meer behoefte komt aan het delegeren van niet-geprotocolleerde zorg, zoals ouderenzorg en oncologische nazorg. Ook dat hoort bij generalistisch werken. Het is dan ook niet zo gek dat generalisme als kernwaarde is opgenomen in het nieuwe competentieprofiel.’

Nieuw competentieprofiel

‘Het competentieprofiel is gebaseerd op het uitgangspunt van generalistische, persoonsgerichte en continue zorg’, vertelt Nelleke. ‘Het NHG/LHV-Standpunt is een heel belangrijke onderlegger daarvoor geweest. Ook hebben we in het nieuwe profiel geprobeerd beter te definiëren wat des huisarts is en wat voor de ondersteunende functie. De huisarts doet vooral de diagnostiek en het instellen van de behandeling. Ondersteuning en begeleiding van patiënten ligt meer op de weg van een verpleegkundige. Zij leert patiënten ook omgaan met hun aandoening en de gevolgen daarvan. Bij het opstellen van het nieuwe competentieprofiel rees het inzicht dat wij voor de wenselijke doorontwikkeling van de praktijkondersteuner konden aanhaken bij het competentieprofiel van de Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland uit 2012. Dat werd dus de tweede belangrijke onderlegger voor ons competentieprofiel. Met dit profiel als uitgangspunt hebben we gekeken wat de praktijkondersteuner specifiek nog nodig heeft bovenop de algemene verpleegkundige competenties. Daarnaast was de doorontwikkeling naar niet-geprotocolleerde zorg een belangrijk uitgangspunt. Dat betekent dat mensen overstijgend en los van protocollen moeten kunnen denken. De derde belangrijke onderlegger was het LHV-Competentieprofiel van de praktijkondersteuner uit 2010.’
Nelleke vertelt dat bij het convenant diverse partijen betrokken waren: de V&VN, de NVvPO, de Nederlandse Vereniging van Doktersassistentes en de hogescholen. ‘Voor die laatste partij was het convenant natuurlijk vrij ingrijpend omdat zij hun opleidingen moeten aanpassen. De hogescholen moeten onze eisen wel kunnen vertalen in modules. De opleiding voor praktijkondersteuning wordt onderdeel van de hbo-verpleegkunde. Een van de drie uitstroomrichtingen van de hbo-v is maatschappelijke gezondheidszorg. Daaronder valt wijkverpleging. Praktijkverpleging huisartsenzorg zit daar heel dicht tegenaan en zou dus prima in die uitstroomrichting passen.’

Onrust

Nelleke realiseert zich dat dit nieuwe competentieprofiel nogal wat onrust teweeg brengt onder de zittende praktijkondersteuners. ‘Sommige praktijkondersteuners zijn misschien geneigd om te denken dat ze niet goed genoeg zijn. Dat vind ik heel erg jammer, want dat is absoluut niet het geval! De negatieve geluiden die je soms hoort komen van de beroepsverenigingen, vanuit het perspectief van de bedreigde professional. Die belangen zijn zeker relevant en daar moet je ook rekening mee houden. Maar ontwikkelingen mogen natuurlijk niet volledig bepaald worden door belangen van professionals, dat geldt ook voor huisartsen.
Als je het positief formuleert kun je zeggen dat de stap die een aantal jaar geleden is gemaakt om taken te delegeren naar een hbo-functie heel goed werkt. Terwijl het best een grote stap was voor de huisarts om een deel van zijn taken over te dragen. Inmiddels wordt praktijkondersteuning breed gedragen door zowel patiënten als huisartsen en geeft het een kwaliteitsverbetering. Vanuit dat succes ontwikkel je door en ga je verder met die taakdelegatie. Dus het is ook het succes van de praktijkondersteuner dat men nu ook meer durft te delegeren aan een hbo-functionaris. En dat is tegelijkertijd waar we ook behoefte aan hebben: dat de huisarts nog meer gaat delegeren om op zijn eigen niveau de wat ingewikkelder medische zorg te kunnen bieden. Het is eigenlijk een erkenning van hoe groot het succes is.’

Overgangsfase

‘Het gaat erom: waar wil je naartoe in de toekomst? Als je op een bepaald punt wilt uitkomen, dan moet je je daar op tijd op voorbereiden’, legt Nelleke uit. ‘Dus als je een professionele, goede opleiding wilt ontwikkelen omdat je in de toekomst meer taken wilt delegeren, dan moet je daar nu al naartoe werken. Dat wil niet zeggen dat de huidige praktijkondersteuners allemaal die opleiding moeten gaan doen. Zij doen het heel goed en moeten dat vooral ook blijven doen. Voor praktijkondersteuners die zich ook nog zouden willen doorontwikkelen naar de niet-geprotocolleerde zorg zou een overgangsregeling moeten komen. Je kunt immers niet zeggen: dat doe ik er gewoon maar even bij. Dan doe je geen recht aan wat er nodig is voor die zorg. En je doet ook geen recht aan de nood van de patiënt, denk ik. Maar deze groep praktijkondersteuners zou niet het hele hbo-v zou hoeven gaan doen om die functie te verwerven. Op basis van een soort assessment kun je kijken welke aanvullende competenties iemand nog moet verwerven om die functie te gaan uitvoeren. Dat moet onderdeel zijn van die overgangsregeling.’ Voor de mensen die dit jaar met de opleiding zouden willen beginnen, is er een onzeker toekomstperspectief. Nelleke vindt daarom dat de hogescholen zo snel mogelijk de opleiding ‘nieuwe stijl’ moeten gaan aanbieden.

Ontwikkeling doktersassistente

Nu is het zo dat veel doktersassistenten doorgroeien naar praktijkondersteuner. Zij kunnen straks niet meer een bedrijfsopleiding doen waardoor ze op hbo-niveau gaan functioneren, maar moeten echt een hbo-opleiding doen voor deze functie. ‘Ik denk dat je dat ook wel nodig hebt als je straks de niet-geprotocolleerde zorg wil doen zoals ouderenzorg, complexe zorg en oncologische nazorg’, zegt Nelleke. ‘Daarnaast moet goed worden bekeken of doktersassistenten vrijstellingen kunnen krijgen voor die hbo-opleiding.’
Nelleke denkt dat sommige doktersassistentes zich door de ontwikkelingen misschien gediskwalificeerd voelen. ‘Dat is echt niet nodig en jammer, want daardoor krijgt het convenant een negatieve lading. De laatste vijftien jaar zijn de doktersassistentes ontzettend geprofessionaliseerd en dat vind ik echt een grote ontwikkeling. We vragen ook steeds meer van ze en er zit er ook meer uitdaging in hun functie. Om als doktersassistente verder te kunnen ontwikkelen zou doorgroei naar praktijkondersteuner niet de enige mogelijkheid moeten zijn, want dat is toch een ander soort zorgverlener. Ik vind dat er veel meer beroepsperspectief voor die doktersassistentes moet zijn. Het is een heel eigen vak waar veel meer zelfstandigheid in zit dan jaren geleden.
Natuurlijk moeten dokterassistentes nog steeds praktijkondersteuner kunnen worden als zij dat willen. Ik vind dat we dat moeten faciliteren en ook dat zij wat makkelijker die hbo-v kunnen instromen met de kennis die ze al hebben. Alleen zou ik ook graag een andere mogelijkheid ernaast zien voor doorontwikkeling, veel meer vanuit de eigenheid van hun eigen vak. Er zitten natuurlijk heel veel elementen in die functie, zowel medisch-inhoudelijk in de verrichtingen die ze doen als in het management van de patiënteninstroom in de praktijk. Daar hebben zij een grote rol in en de vraag is of je daar nog meer in zou kunnen ontwikkelen. Want het is een belangrijke functie. In het goed laten lopen van een huisartsenpraktijk zou je nog veel meer zelfstandigheid bij de assistentes neer moeten leggen, omdat zij heel goed die patiëntenstroom kunnen managen. Daar valt echt nog winst te behalen. Ik zou de vereniging van doktersassistenten willen uitdagen om zich ook daar op te richten.’

Generalistisch en flexibel

Nelleke hoopt dat de huisarts in de toekomst generalisme als uitgangpositie blijft houden en goed toegankelijk blijft voor alle zorgvragen. ‘Ik denk echt dat daar behoefte aan is, ook over tien of twintig jaar. Verder hoop ik dat we de persoonsgerichte zorg blijven behouden. De aanpassingen die plaatsvinden zijn er om te zorgen dat dat mogelijk blijft bij de grote zorgvraag. De Toekomstvisie Huisartsenzorg 2022 ondersteunt dat. Daarnaast denk ik dat er nog steeds heel veel draagvlak is voor de wijkgebonden zorg. Huisartsenzorg is volgens mij altijd heel flexibel geweest. Huisartsen hebben altijd mee kunnen bewegen met wat er om hen heen gebeurde, met de vragen van patiënten. Het is belangrijk dat wij die flexibiliteit kunnen behouden. Het klinkt misschien heel behoudend, maar ik denk dat je met zo’n houding heel goed kunt innoveren.’

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2013, nummer 3

Literatuurverwijzingen: