De nieuwe huisarts

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Utrechtse onderzoekers analyseerden de thematische ontwikkeling van gerandomiseerde gecontroleerde trials in de huisartsgeneeskunde in de periode 1990-2010. Het aantal gepubliceerde RCT’s bleek de afgelopen twintig jaar gestegen te zijn. De meeste RCT’s gaan over psychische, circulatoire, algemene, endocriene/metabole en respiratoire onderwerpen. Deze thema’s sluiten niet helemaal goed aan op meest voorkomende aandoeningen in de Nederlandse huisartsenpraktijk. Vooral RCT’s over huid en subcutis, geslachtsorganen vrouw, zwangerschap, oog en tractus digestivus zijn ondervertegenwoordigd.

Merlijn Schoots en zijn mede-onderzoekers gingen na waar ‘de nieuwe huisarts’ zich wil vestigen. Het zal daarbij niemand verbazen dat sommige regio’s meer in trek zijn dan andere. Utrecht, Arnhem/Nijmegen, de Gooi- en Vechtstreek, Haarlem en de Veluwe zijn het populairst. Delen van Groningen, Drenthe, Friesland en Limburg staan duidelijk minder in de belangstelling. Huisartsen-in-opleiding kijken bij hun keuze waar zij zich willen vestigen vooral naar de werkgelegenheid voor de partner en de nabijheid van vrienden en familie.

Chris van Weel schrijft in een beschouwing over de huisarts van de toekomst dat de gezondheidszorg voor grote veranderingen staat, maar dat in het maatschappelijk debat een goede probleemanalyse ontbreekt. De kerncompetities van de huisarts zijn behandeling van ziekten en persoonsgerichte en bereikbare gezondheidszorg. Deze kerncompetities zijn minstens even effectief als ziektespecifieke behandelingen. Van Weel vindt een sterk geëquipeerde eerste lijn dan ook onontbeerlijk. Bovendien is hij van mening dat de gespecialiseerde zorg eveneens voor een persoonsgerichte benadering zou moeten kiezen.

Huisartsgeneeskundige beroepsethische normen zijn door de tijd heen veranderd, schrijven Dwarswaard en Trappenburg in hun beschouwing De huisarts en de tijdgeest. Sinds de jaren zeventig zijn eigen verantwoordelijkheid en terughoudendheid belangrijke beroepsethische normen van de Nederlandse huisarts. De patiënt verandert echter ook. Hierdoor en door de marktwerking in de zorg is het voor de huisarts steeds lastiger om zich terughoudend te blijven opstellen.

Keuze- of beslishulpen voor pa­tiënten ondersteunen ­wanneer een dialoog plaatsvindt over behandelopties of dilemma’s. Keuzehulpen geven de patiënt inzicht in de beschikbare opties en de mogelijke consequenties. Een nascholingsartikel over dit onderwerp staat in deze H&W.

Verder vind je in dit nummer een kakelverse standaard, namelijk Lichen sclerosus. Bij deze chronische inflammatoire huidaandoening met als hoofdklacht jeuk volstaan vaak anamnese en lichamelijk onderzoek door de huisarts. Bij twijfel is een biopt noodzakelijk. De voorgestelde behandeling is een klasse 4-corticosteroïdenzalf met daarnaast indifferente vette crème of zalf. Verder is het goed om pa­tiënten met anogenitale lichen sclerosus te attenderen op het kleine risico van de ontwikkeling van een plaveiselcelcarcinoom en ze daar jaarlijks op te controleren.

Vooruitblik H&W 12

Begin december verschijnt H&W 12 en hierin staat een onderzoeksartikel over de tijdsbesteding in de huisartsenpraktijk van onder andere Jozé Braspenning. De auteurs schatten op basis van hun onderzoek dat huisarts, assistent en praktijkondersteuner in een normpraktijk met 2350 patiënten samen gemiddeld 112,1 uur per week werken, exclusief diensten. Huisarts en praktijkondersteuner besteden ongeveer tweederde van hun tijd aan directe patiëntenzorg.

Ouderen met depressieve symptomen opsporen door screening in de huisartsenpraktijk en ze vervolgens behandelen met stepped care is niet effectiever dan de gebruikelijke huisartsenzorg. Dit blijkt uit een onderzoek van Gerda van der Weele en anderen. De opgespoorde 75-plussers die depressieve symptomen hadden kregen individuele counseling, een cursus en werden op indicatie terugverwezen naar de huisarts voor eventuele verdere behandeling. De cursus ‘In de put, uit de put’ vormde de kerninterventie en hier nam lang niet iedereen aan deel. De auteurs zien dit als mogelijke oorzaak voor het onderzoeksresultaat dat de interventie niet effectiever was. Ook denken de auteurs dat een grotere rol van de huisarts in de aanpak van de symptomen kan zorgen voor betere resultaten. De huisarts is voor veel ouderen immers een vertrouwenspersoon.

Veel niet-westerse ­immigranten kampen met een vitamine D-gebrek. Onderzoekers van VUmc vergeleken het slikken van vitamine D3 (dagelijks 800 IE of 100.000 IE/3 maanden) met blootstelling aan zonlicht. Vitamine D-suppletie bleek effectiever te zijn.

Bart Berden vindt het te eenvoudig om in de discussie over de houdbaarheid van ons zorgsysteem alleen te denken aan de stijgende kosten. Het gaat vooral om de manier waarop wij tegen zorg aankijken en het begrip ‘toegevoegde waarde’. Berden adviseert geen onrealistische verwachtingen van het systeem te scheppen (en te hebben), de voorschrijver de wacht te laten houden, te zorgen dat de pa­tiënt in plaats van klant een betrokken co-maker wordt en kwaliteit in plaats van kwantiteit te belonen.

Susan Umans

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2012, nummer 6

Literatuurverwijzingen: