Wat iedere praktijkondersteuner moet weten over seks

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Een chronische ziekte heeft vaak invloed op het seksleven. Omdat de praktijkondersteuner chronisch zieken zo regelmatig ziet, is zij mogelijk de aangewezen persoon om ook naar dat aspect van ziekte te informeren en zo nodig hulp te bieden. Informeer je op eigen initiatief hiernaar als praktijkondersteuner? Kunnen patiënten bij jou terecht met hun vragen en zorgen? Heb je zelf genoeg kennis? In een kleine serie artikelen gaat het Tijdschrift voor praktijkondersteuning in op een aantal aspecten van seksualiteit bij patiënten met een chronische ziekte. In de eerste aflevering ging het over praten over seks en seksualiteit. Deze keer gaat het over de seksuologische basiskennis die je nodig hebt om de patiënt hulp te kunnen bieden, en bieden we algemene tips voor de patiënt met een seksuologisch probleem. In volgende nummers besteden we aandacht aan een aantal chronische ziekten met hun specifieke problemen op het gebied van seks, en bieden we de praktijkondersteuner handvatten om seksuologische problematiek aan te pakken. Ook geven we inzicht in de werkwijze van de seksuoloog.

Om met een patiënt te kunnen praten over seksualiteit en seksuele problematiek is basiskennis belangrijk. We bespreken eerst de beleving van seksualiteit en de seksuele responscyclus. Daarna reiken we het biopsychosociaal model aan als houvast om een gesprek over seksualiteit aan te gaan. Voor de praktijkondersteuner die zelf aan de slag wil gaan, volgt de seksuologische anamnese. Tot slot een aantal algemene tips die het seksleven van een patiënt kunnen verbeteren.

De kern

  • Algemene seksuologische kennis is noodzakelijk om een patiënt adequaat te woord te staan.
  • De seksuele responscyclus beschrijft de fysiologie van de menselijke seksualiteit.
  • Het biopsychosociaal model verschaft achtergrond voor een gesprek met een patiënt met een probleem op het terrein van seks.
  • De seksuologische anamnese is een hulpmiddel om de klacht van de patiënt in kaart te brengen.
  • Het is belangrijk om een seksuologisch probleem niet automatisch toe te schrijven aan de chronische ziekte.
  • Met algemene tips kan een patiënt het seksleven verbeteren.

Seksualiteit en seksualiteitsbeleving

Mensen kunnen aan seks doen om allerlei redenen, zoals lust, plezier, of genot. Dat kan in je eentje of samen. Seks versterkt de intimiteit met een partner. Het kan een bevestiging zijn van het man-zijn of vrouw-zijn, de eigenwaarde versterken en leiden tot een positieve lichaamsbeleving. Het kan voor ontspanning of voor troost zorgen, enzovoort. Ieder mens beleeft seksualiteit op zijn eigen manier. De waarde en betekenis van seks kunnen per levensfase anders zijn. Ook tussen mannen en vrouwen kunnen er verschillen zijn in seksbeleving. Vrouwen hechten soms meer belang aan de intimiteit van de relatie en mannen kunnen de seks belangrijker vinden. Ook kan met het ouder worden de waardering van seks veranderen. Overigens is het niet vanzelfsprekend dat patiënten met chronische ziekten ook problemen hebben met de seks. Een probleem is pas een probleem als de patiënt dit zo ervaart.

Herkenbaar patroon

De beleving van seks is verschillend, maar fysiologisch gezien is er een duidelijk patroon herkenbaar. Uitgebreid onderzoek door Masters en Johnson toont dat aan. Zij beschreven het seksueel functioneren van de mens in de zogenaamde seksuele responscyclus, zie figuur 1. Dit model beschrijft in een aantal fasen het fysiologische proces dat uiteindelijk leidt tot een orgasme. Het gaat hier om de volgende fasen:

  • De fase van het verlangen: de zin om te vrijen, een verlangen om seks te hebben.
  • De fase van opwinding: hierbij spelen zowel psychologische als lichamelijke factoren mee. Onder andere wordt bij mannen de penis stijf, en bij vrouwen de vagina nat.
  • De plateaufase: kan lang duren en is een hoog niveau van opwinding die stabiel kan blijven tot het orgasme. De periode voor het orgasme wordt ook wel de solofase genoemd. In deze fase raakt men meer in zichzelf gekeerd. Dat is vaak nodig om de beleving van de opwinding te intensiveren en klaar te kunnen komen.
  • Het orgasme: in figuur 1 is de cyclus van een man afgebeeld. Na een orgasme heeft een man een bepaalde hersteltijd nodig. Vrouwen kunnen een aantal orgasmen na elkaar hebben.
  • De herstelfase: het lichaam komt weer tot rust. Er is ruimte voor naspel en napraten. Eventueel kan de cyclus daarna weer van voren af aan beginnen.

Het is belangrijk om dit model in je achterhoofd te hebben als patiënten problemen hebben met seksualiteit. Het helpt je bij het doorgronden in welke fase(n) het probleem speelt. Houd wel in je achterhoofd dat biologische aspecten van de ziekte niet automatisch de oorzaak zijn van het probleem. Met de seksuele responscyclus als uitgangspunt kan de praktijkondersteuner patiënten tegenkomen met de volgende problemen:

  • Problemen met het seksueel verlangen. Dit uit zich in een verminderd seksueel verlangen. Mensen hebben minder zin om te vrijen, geen seksuele fantasieën, geen lust.
  • Problemen met de seksuele opwinding. Hierbij maken we een onderscheid tussen psychologische en lichamelijke factoren:
    •  
      • Problemen met de subjectieve seksuele opwinding: mensen bemerken geen, weinig intens of maar kort aanhoudend gevoel van seksuele opwinding. De lust verdwijnt snel.
      • Lichamelijke problemen: patiënten bemerken dat de penis niet voldoende stijf is of maar korte tijd stijf. Bij de vrouw wordt de vagina niet of beperkt vochtig.
      • Problemen met het orgasme. Er komt geen orgasme, te vroeg, of te laat. Ook kan het gevoel bij het orgasme afwezig zijn, of veel minder sterk dan gewoonlijk.

Biopsychosociaal model

De seksuele responscyclus is een beperkt model, alleen gericht op de fysiologie. Om de vragen van patiënten rond seksuele problematiek goed te kunnen plaatsen, is het belangrijk om deze in een breder kader te plaatsen. Hiervoor gebruiken seksuologen het biopsychosociaal model. Niks nieuws voor de praktijkondersteuner. Bij de ‘gewone’ begeleiding van patiënten betrek je immers ook biologische, psychologische en sociale factoren: bijvoorbeeld of de medicatie bij een diabeet moet worden aangepast tijdens de nachtdiensten. Het biopsychosociaal model vormt naast de seksuele responscyclus de basis voor de seksuologische anamnese.

Biologische aspecten

Patiënten die last hebben van moeheid, pijn, incontinentie, stijfheid, een slechte conditie, benauwdheid of spasmes, ervaren fikse belemmeringen bij seks. Naast deze algemene factoren kunnen we ook neurologische, vasculaire en hormonale problemen onderscheiden. Denk bijvoorbeeld bij vasculaire oorzaken aan patiënten met een verminderde doorbloeding van de geslachtsdelen, bijvoorbeeld als gevolg van diabetes of hypertensie. Hierdoor kan er ook sprake zijn van een verminderde erectie of het verminderd nat worden van de vagina. Patiënten met neurologische uitval kunnen een gestoord lichaamsbesef hebben. Ook kunnen bijwerkingen van medicijnen zorgen voor problemen.

Psychologische aspecten

Ziekte heeft vaak invloed op hoe patiënten hun lichaam beleven. Een astmatische patiënt die zichzelf meer hoort piepen bij opwinding, kan onzeker worden tegenover de partner. Een patiënt met lichamelijke gevolgen na een CVA voelt zich niet dezelfde. Daarnaast kan de ziekte gevolgen hebben voor het algemeen functioneren van de patiënt en kunnen bijvoorbeeld rollen in het leven veranderen. Ben ik nog wel de stevige moeder, harde werker of enthousiaste vrijer? Die onzekerheid kan de seksuele relatie veranderen. Verlies, rouw, acceptatieproblemen, verdriet en boosheid over de ziekte kunnen meespelen. Bij patiënten met een chronische ziekte komt meer psychische problematiek voor, bijvoorbeeld depressie. Eén van de basiskenmerken van depressie is dat mensen nergens meer plezier aan beleven en somber zijn: een depressieve patiënt heeft vaak geen zin meer in seks.

Sociale aspecten

Een seksuele relatie heb je met zijn tweeën. Het hangt van de onderlinge relatie af of een paar de seksualiteit bij ziekte opnieuw vorm kan geven. Als een stel een vrij traditionele relatie heeft waarbij de man altijd de leidende partij is en dit is om fysieke redenen niet meer mogelijk, kan dat het einde van de seks betekenen. Dit kan bijvoorbeeld optreden als de man geopereerd is aan prostaatkanker en zijn penis niet meer stijf kan worden. Als het paar van rol kan wisselen, zijn nieuwe vormen mogelijk. Een patiënt vertelt bijvoorbeeld: ‘We doen het nu heel anders dan vroeger. Ik heb nog nooit zoveel aandacht voor mijn vrouw gehad.’

De seksuologische anamnese

Zoals we in de vorige aflevering bespraken, is het misschien niet gemakkelijk om over seks te praten, maar patiënten waarderen het erg. Welke vragen stel je? In tabel 1 zie je de ‘seksuologische anamnese’ met de structuur volgens het biopsychosociaal model. Je herkent hierin het schema van je ‘gewone’ gespreksvoering met de patiënt: eerst verhelder je de vraag en de beleving van de patiënt. Daarna richt je de vragen op de seksuele responscyclus, gevolgd door meer specifieke vragen gericht op de mannelijke of vrouwelijke patiënt. Tot slot is er aandacht voor een aantal belangrijke algemene zaken. Niet iedere praktijkondersteuner zal alle vragen kunnen en willen stellen. Ze zijn ook niet voor elke patiënt allemaal even belangrijk.

Tabel 1 Seksuologische anamnese volgens biopsychosociaal model

[[tbl:356]]

[[tbl:357]]

[[tbl:358]]

[[tbl:359]]

[[tbl:360]]

[[tbl:361]]

[[tbl:362]]

[[tbl:363]]

Hoe ver ga je?

Hoe ver ga je als praktijkondersteuner met deze anamnese? Die vraag kunnen wij niet voor je beantwoorden. Het antwoord hangt onder meer af van de affiniteit die je met het onderwerp hebt en hoe deskundig je jezelf erin voelt. Wanneer het lastig is, kun je de patiënt altijd voorstellen om het onderwerp verder met de huisarts te bespreken. Tabel 2 toont een aantal algemene tips die een positieve invloed kunnen hebben op een seksuele relatie. Mogelijk kun je die al gebruiken tijdens het gesprek met de patiënt. Bij een uitgebreider probleem of een vraag om medicatie verwijs je naar de huisarts. Positief voor de patiënt is dat het probleem al door jou ter sprake is gekomen. De patiënt zal je er dankbaar om zijn! [[img:310]]

Tabel 2 Twaalf tips voor een prettiger seksleven (vrij naar Rutgers Nisso Groep)6

  • Het is belangrijk om in een goede lichamelijke conditie te zijn en gezonde leefgewoonten te hebben.
  • U voelt zich aantrekkelijker door u goed te blijven verzorgen met aandacht voor uw uiterlijk.
  • Het is belangrijk om voor een prettige en ontspannen sfeer te zorgen.
  • Het is vaak prettiger om ’s morgens te vrijen omdat u dan vaak minder moe bent en meer energie hebt dan ’s avonds.
  • Het is belangrijk om negatieve en afleidende gedachten tijdens het vrijen uit te bannen (bijvoorbeeld bang zijn dat de man urine ruikt als de vrouw urine-incontinent is).
  • Probeer niet te veel afgeleid te zijn door de ziekte, maar u te focussen op de intimiteit en het vrijen.
  • Soms is het bevorderlijk voor de seksualiteit om zin te maken in plaats van te wachten tot u zin krijgt. Al doende raakt u vaak geleidelijk aan meer opgewonden.
  • Uw opwinding kan toenemen door het kijken naar film, lezen van literatuur, gebruiken van de fantasie.
  • Probeer als doel van het vrijen te streven naar plezier en niet naar prestatie. Vaak wordt geslachtsgemeenschap als hoogste doel gezien. Probeer te zoeken naar alternatieve manieren van vrijen, zoals masseren, masturberen en orale bevrediging.
  • Probeer eens een keer een glijmiddel of een vibrator. Een glijmiddel kan helpen om de vagina minder droog te laten zijn, de vrouw voelt dan ook alles intenser, wat weer meer opwinding geeft, enzovoort. Een vibrator geeft een prettige prikkeling die mogelijk door de vingers of de penis niet meer gegeven kan worden.
  • U kunt de dokter vragen om een medicijn dat de erectie verbetert.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2010, nummer 4

Literatuurverwijzingen:

Literatuur

1Gianotten WL, Meihuizen-de Regt MJ, Van Son-Schoones N (redactie). Seksualiteit bij ziekte en lichamelijke beperking. Assen: Van Gorcum, 2008.
2Gijs L, Gianotten WL, Vanwesenbeeck I, Weijenborg PTM (redactie). Seksuologie. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2009.
3Leusink P. Huisarts en seksualiteit: van privé naar professie. Bijlage 2: Seksuologische anamnese voor de huisarts. Bijblijven 2002;18:4.
4Bender J. Seksualiteit, chronische ziekten en lichamelijke beperkingen: een contradictio in terminis? Bijblijven 2002;18:4.
5Leusink P, De Boer LJ, Vliet Vlieland CW, Rambharose VR, Sprengers AM, Mogendorff SW, et al. NHG-Standaard Erectiele disfunctie. www.nhg.org
6Rutgers Nissogroep. Brochure ‘Seks als je ouder wordt’. www.rng.nl/shop.