Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Stil geluid

Avatar
Redactie NHG/BSL

Regelmatig bezoek ik haar om haar oren uit te spuiten. Zo eens in de twee maanden spoel ik enorme proppen door haar gootsteenputje. Het mag een wonder heten dat er nog geen loodgieter aan te pas heeft hoeven komen om een verstopping te verhelpen. Ooit spoelde ik een stukje van een wattenstaafje uit haar oor, ze zoende me daarna. Zo’n opluchting had zij in geen jaren ervaren.
Ze vertrouwt mij vaak toe dat het nu wel klaar is, haar leven. Nierfalen, hartfalen, over op de insuline voor haar diabetes, elke diagnose en therapiewijziging van welke ‘-loog’ dan ook: ik ontvang regelmatig de mededeling dat zij het met haar 84 jaar nu toch echt wel genoeg vindt. Maar dan zegt ze op een keer: ‘bedankt, ik zal druppelen en over twee maanden bijtijds bellen, zodat je rekening kan houden met een afspraak.’ Ik bemerk een verschil in haar toekomstvisie en zeg haar dit. Ze huilt en zegt: ‘Weet je hoe dat komt? Mijn kind is terminaal en heeft nog een halfjaar te leven. Ik wilde er niet aan en hoopte voor hem te sterven, maar toen dat maar niet gebeurde, wist ik: ik ben nog niet klaar hier. Ik wil er voor mijn kinderen zijn en als mijn kind eenmaal gestorven is, ben ik ook klaar.’ Ze laat een foto zien en droogt haar tranen en vertelt trots over de kracht van haar kind.

Mijn volgende werkdag ligt er een rouwkaart, door haarzelf aan mij geschreven. Ik bel haar: de dag na ons gesprek is haar zoon onverwacht overleden. Ze zegt: ‘ik ga de kist nu sluiten, het is zo goed. Ik ben blij dat ik dit kan doen.’ We spreken af dat ik haar zal bezoeken na de begrafenis. Ik schrijf mijn gedachten over haar en haar zoon op. Dat ik haar kracht bewonder. Die brief stuur ik haar per post toe. Die week roept iemand mij ’s nachts wakker. Hard en duidelijk: ‘Petronella!’ Ik ga bij de kinderen kijken, kijk uit het raam, ik hoorde toch echt iemand! Mijn man vraagt wat ik doe. Het is net over drieën. Ik zeg hem dat ik iemand hoorde roepen. De volgende morgen hebben we het er nog over: wie riep mij? We grappen wat over een zieke tante.

Op de werkdag die hierop volgt, ligt er weer een rouwkaart voor me. Ik lees en besef: ze is overleden, de 84-jarige lieve dappere mevrouw, de dag na de begrafenis van haar geliefde kind. Ik lees dat zij thuis is opgebaard. In mijn agenda staat om 12 uur mijn visite bij haar gepland en in een opwelling bel ik dan haar nummer. Haar dochter neemt op en na het condoleren spreken we af dat ik evengoed langs zal komen. Ik moet toch in de flat zijn voor een andere visite en voor zij de kist ingaat, kan ik afscheid nemen. Zo sta ik even later aan het bed waarin zij stierf. Haar dochter vertelt dat ze nog zo blij was geweest met haar schone oren omdat ze alles goed kon horen bij het afscheid van haar zoon. Bovendien had ze de brief zo gewaardeerd. Ze vertelt ook dat haar moeder haar tussen 2 en 3 uur ’s nachts heeft bezocht in haar slaap. Ze zag haar in veel licht en ze heeft met haar gepraat en afscheid genomen, haar moeder ging heel vredig weg. De volgende morgen vroeg ging ze naar haar toe en vond haar overleden in haar bed. Ik reken terug en besef, dat ik juist die nacht iemand heb horen roepen. Om een uur of drie. Heb ik haar horen roepen? Het is vast niet professioneel maar de tranen winnen het. Het raakt me; ik ben getuige van iets wat ik niet kan begrijpen.

Petronella Hart

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2007, nummer 5

Literatuurverwijzingen: