Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

“Protocollen van andere praktijken kun je niet zomaar overnemen”

Avatar
Redactie NHG/BSL

Maaike Duijm werkt in huisartsenpraktijk De Vecht. Ze begeleidt samen met haar collega niet alleen patiënten met diabetes mellitus type 2, astma/COPD en cardiovasculair risicomanagement, maar doet ook wondzorg, spuit oren uit en maakt uitstrijkjes. Verder kunnen rokers bij haar terecht voor begeleiding bij het stoppen met roken en geeft ze leefstijladviezen. Daarnaast neemt ze in het kader van ouderenzorg geheugentesten af en doet ze huisbezoeken. “Ik doe eigenlijk alles wat maar mogelijk is”, zegt ze lachend. Voordat ze naar de huisartsenpraktijk kwam, had ze als verpleegkundige al ervaring opgedaan op diverse afdelingen van de interne kliniek van het Universitair Medisch Centrum Groningen, en later bij de thuiszorg.

Waarom vroeg je ons om de nieuwe diabetesstandaard bij TPO te voegen?

“Jullie schreven in het verleden over nieuwe standaarden die voor het werk van praktijkondersteuners van belang zijn. Ik verbaasde me erover dat die standaarden niet in TPO worden gepubliceerd. Terwijl ze wel in H&W staan, het tijdschrift voor huisartsen. Ik ben gewend protocollen te maken om van de NHG-Standaarden die voor mij van belang zijn. Natuurlijk kan ik de standaard die de huisarts krijgt kopiëren, maar dat is toch niet efficiënt? Vandaar mijn vraag.”

Hoe maak je protocollen?

“Op basis van standaarden maak ik eigen protocollen, specifiek voor onze praktijk. Dit is nodig omdat standaarden voor artsen geschreven worden en ik ben nu eenmaal geen arts. In de protocollen beschrijven we wat de praktijkondersteuner zelf doet en wanneer er een arts nodig is. Dit betekent bijvoorbeeld dat ik zelf de diagnose diabetes kan stellen, omdat de afkapwaarden heel concreet en duidelijk beschreven staan. De protocollen waar we mee werken zijn uitgebreid besproken en goedgekeurd door de huisartsen van de praktijk. Hierdoor kunnen we zelf aan het werk en hoeven we niet alles met een arts te overleggen. Elke arts heeft ook de protocollen van de praktijkondersteuners in de spreekkamer. Ze kunnen dus nakijken hoe wij het een en ander aanpakken.”

Neem je geen protocollen van anderen over?

“Ik ben ervan overtuigd dat je niet zomaar protocollen van anderen kunt overnemen. Protocollen moeten altijd voor de eigen praktijk worden geschreven en worden gebaseerd op de deskundigheid die de huisartsenpraktijk in huis heeft. In protocollen wordt een deel van de verantwoordelijkheid overgedragen. Dat moet goed gebeuren. Immers: de praktijkondersteuner in de ene praktijk heeft een andere opleiding of ervaring dan de praktijkondersteuneer in de andere praktijk. Protocollen klakkeloos overnemen is er dus niet bij. Je kunt ze het beste zelf schrijven. Het is bovendien heel leerzaam om ermee bezig te zijn. Bij het schrijven maak ik zelf de vertaling van theorie naar werkprocessen zoals die zich in onze praktijk voordoen. Als ik op dergelijke manier een werkproces beschrijf, word ik met mijn neus op alle ins en outs gedrukt.”

Wat staat er bijvoorbeeld in het protocol Diabetes mellitus type 2?

“Het protocol volgt de lijn van de NHG-Standaard: gestoorde glucose, diagnose, aandachtsgebieden, glycemische regulatie, streefwaarden, medicatie, nierfunctie, et cetera. Per terrein beschrijf ik steeds wat ik doe. Ook beschrijf ik wanneer ik naar anderen verwijs: bij welke waarden doe ik dat? Of: bij welke risicofactoren moet ik overleggen met de arts? Patiënten met diabetes worden eens per jaar door de huisarts gezien, dus dat staat ook in het protocol. Bij ons is dat niet de jaarcontrole, want die doe ikzelf. De huisarts kijkt nog eens met een medische blik naar het gehele plaatje van de patiënt. Dat is een mooie aanvulling, want ik kijk natuurlijk voornamelijk naar de diabetes.”

In hoeverre mag jij van je protocol afwijken?

“Ik kan niet van het protocol afwijken zonder overleg met de artsen. Zeker niet als het over medicijnen gaat. Ik kaart wel dingen aan bij de artsen, maar ik verander dingen niet uit mezelf. Om een voorbeeld te geven: bij heel oude mensen overleg ik wel eens of het nog nodig is dat ze medicijnen tegen hoge bloeddruk gebruiken, of statines. In de nieuwe diabetesstandaard wordt ook meer aandacht besteed aan de leeftijd van mensen met diabetes. Ik kan niet zelf besluiten om zo iemand maar geen statines meer te laten gebruiken, maar ik ben wel degene die bij de arts aan de bel trekt met de vraag of deze patiënt er mee kan stoppen. Of zoals laatst bij een oude mevrouw met hoge bloeddruk ondanks twee soorten medicijnen: is het echt wenselijk dat ze nog een middel erbij krijgt, of accepteren we deze waarden?, vraag ik dan.”

Maak je bij alle standaarden protocollen?

“Ja, bij de standaarden waarmee ik werk wel. Dus diabetes, astma, COPD, stoppen met roken en CVRM. Die laatste heeft mijn collega trouwens gemaakt. Hoe de protocollen eruit zien verschilt. Ik heb bijvoorbeeld ook een protocol gemaakt bij de NHG-Standaard Stoppen met roken. In de begeleiding bij stoppen met roken heb ik veel meer een eigen werkwijze ontwikkeld. Die standaard is minder feitelijk: er staan bijvoorbeeld geen grenswaarden in. Het contact dat je met de patiënt hebt, is heel belangrijk bij stoppen met roken. Ik volg veel meer de patiënt dan ik bijvoorbeeld bij diabetes doe.”

Heeft het feit dat jullie geaccrediteerd zijn iets te maken met het ontwikkelen van protocollen?

“Accreditatie heeft er wel voor gezorgd dat ik meer zaken in kaart breng en hetgeen ik doe beter noteer. Maar ook zonder het accreditatieproces zou ik wel protocollen maken. We worden trouwens wel gesterkt in onze aanpak: je krijgt na de accreditatie gegevens van andere praktijken en er vindt een vergelijking plaats. Het blijkt dat wij goed scoren op de meetwaarden en controlefrequentie vergeleken met andere praktijken, dus dat we goed uit de bus komen! Dat is heel fijn om te horen. Daarbij moeten we niet uit het oog verliezen dat er mensen achter die cijfers zitten. Maar hopelijk spreekt dat voor zich.”

Heeft de accreditatie je nog op ideeën gebracht?

“Door de laatste steekproef voor de accreditatie bleek dat ik meer aandacht zou moeten besteden aan alcoholgebruik van patiënten, dus dat ben ik meer gaan doen. Nu ik er vaker naar vraag, merk ik dat heel wat mensen gewend zijn iets meer te drinken dan volgens mij goed voor ze is. Ik kan ze dan helpen bewust te worden van hun alcoholgebruik, bijvoorbeeld door te vragen waarom ze drinken. Als slaapmutsje of tegen de stress of iets dergelijks? Hier kun je het dan verder over hebben. Als er sprake blijkt te zijn van een ernstige alcoholverslaving, ben ik niet de aangewezen persoon om ze te helpen, dus dan verwijs ik ze door. Verder wil ik aan de gang met voorlichtingsmaterialen voor mensen die laaggeletterd zijn of om andere redenen niet zo goed met schriftelijke materialen en afbeeldingen om kunnen gaan. Deze mensen nemen afbeeldingen soms heel letterlijk. Ze denken bijvoorbeeld dat ze alleen de groentes mogen eten die op de Schijf van Vijf staan afgebeeld. Dan zeggen ze: ik hou niet van wortels! Het is te abstract voor ze. Niet iedereen kan abstract denken. Ik heb nu een Schijf van Vijf gevonden die veel meer groentes afbeeldt. Zo ben ik nog op zoek naar een heel simpele uitleg over diabetes voor mensen voor wie de bekende plaatjes met suikerklontjes en sleutels te abstract zijn.”

Heb je vragen naar aanleiding van het interview met Maaike Duijm, dan kun je haar mailen: info@huisartsenpraktijkdevecht.nl, ter attentie van Maaike Duijm.

Bladnaam:
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2013, nummer 5

Literatuurverwijzingen: