Antwoorden Kennisquiz (Thema: Beroerte)

In dit artikel vind je de antwoorden op de Kennisquiz over Beroerte. De vragen van de kennisquiz lees je hier.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan

Antwoorden

1 Antwoord a is juist.

I In het kader van een gezonde leefstijl wordt stoppen met roken altijd geadviseerd, bij primaire en secundaire preventie. Roken is een onafhankelijke risicofactor voor een herseninfarct of beroerte in het algemeen. (Beroerte is de overkoepelende term van TIA, herseninfarct en intracerebrale bloeding. De NHG-Standaard adviseert de term ‘CVA’ niet meer te gebruiken als na beeldvormend onderzoek duidelijk is dat het om een herseninfarct of intracerebrale bloeding gaat.)

II De klachten van meneer passen bij een TIA (klein herseninfarct). Meneer komt niet in aanmerking voor trombolyse, aangezien de klachten langer dan 4,5 uur geleden zijn ontstaan, maar als de werkdiagnose TIA of klein herseninfarct is gesteld, moet hij direct starten met een bloedverdunner en worden doorverwezen naar de neuroloog. Na een TIA of klein herseninfarct is de kans op een herseninfarct gedurende de eerste dagen het hoogst: ongeveer 3 procent in de eerste twee dagen, 5 tot 10 procent in de eerste week en 12 tot 18 procent gedurende het eerste jaar. Uit het prospectieve EXPRESS-onderzoek blijkt dat een snelle start van secundaire preventie (plaatjesaggregatieremmers of anticoagulantia, statine, antihypertensiva) na een TIA of klein herseninfarct, vergeleken met een latere start van de behandeling, leidt tot een significante afname van de kans op een herseninfarct binnen 90 dagen.

2 Antwoord c is juist.

De Barthel-index geeft aan in hoeverre de patiënt zelfredzaam is wat betreft de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). De Barthel-index is betrouwbaar, valide en praktisch toepasbaar: de index is snel en eenvoudig af te nemen. De voornaamste beperking is echter het zogenaamde ‘plafond-effect’. Aangezien het instrument alleen eenvoudige activiteiten meet, garandeert een maximale score niet dat patiënten volledig zonder beperkingen zijn bij complexere activiteiten, hoewel ze ADL-zelfstandig zijn. Daarnaast ontbreken afasie, cognitieve stoornissen, visusstoornissen en pijn in de scorelijst.

3 Antwoord c is juist.

Voor het besturen van personenauto’s en motorrijwielen geldt: indien er geen met de rijgeschiktheid interfererende cognitieve of lichamelijke functiestoornissen zijn, bedraagt de termijn dat de patiënt na een beroerte ongeschikt is twee weken. Indien er met de rijgeschiktheid interfererende cognitieve of lichamelijke functiestoornissen zijn, geldt de ongeschiktheid drie maanden. Hierna stelt een neuroloog of revalidatiearts een specialistisch rapport op en moet de patiënt een rijtest afleggen.

4 Antwoord c is juist.

Herstel na een herseninfarct of intracerebrale bloeding (beroerte) is onder andere afhankelijk van de plaats en grootte van het infarct of de bloeding. Verschillende mechanismen spelen een rol bij het herstel. De grootste vooruitgang vindt plaats in de eerste weken, maar herstel kan de eerste maanden tot jaren na een beroerte nog plaatsvinden.

5 Antwoord a en c zijn juist.

De helft van de patiënten meldt na een jaar nog moe te zijn, dit is vaak onafhankelijk van emotionele en cognitieve problematiek. Cognitieve therapie gedurende twaalf weken leidt bij 24 procent van de patiënten tot vermindering van de vermoeidheid. In combinatie met een bewegingsprogramma rapporteert 58 procent van de patiënten verbetering.

Bronnen

NHG-Standaard Beroerte. www.​nhg.​org.